Zelf geloven

Een van de wonderlijkste bijverschijnselen van het geloof is dat sommige mensen zich geroepen voelen de helpers van God te zijn.

Ik kan me daar telkens opnieuw over verbazen. Iemand, laten we zeggen Multatuli, of Maarten 't Hart, schrijft afkeurend of spottend of laatdunkend over God; dan staan er meteen mensen klaar om God te beschermen, te wreken, de belagers tot zwijgen te brengen als ging het er om Zijn gevoelens te sparen.

Je zou zeggen: voor iemand die alwetend is heeft dat geen zin; en wie almachtig is heeft geen hulpje nodig. En zelfs als God net als zijn helpers verstoken is van humor en zich inderdaad kwaad maakt over spot en kritiek, dan kan hij het, zou je denken, wel alleen af. Het ontbreekt trouwens niet aan verhalen waarin God Zich inderdaad van die kant laat kennen en rotsblokken laat vallen, overstromingen en besmettelijke ziekten stuurt, vulkanen laat uitbarsten en mijnen laat instorten teneinde de schuldigen (en, zoals gewoonlijk, vele onschuldigen) te treffen. Maar desondanks zijn er altijd ijveraars die staan te popelen om Gods vijanden uit diens naam en in diens plaats nog eens mores te leren, ook in de gevallen dat Hij het zelf kennelijk niet de moeite waard vond en het er maar bij had laten zitten.

Wat opnieuw opvalt, is dat ook tirannen en dictators zulke onbezoldigde helpers aantrekken; niet alleen almacht, maar gewoon veel macht is blijkbaar al voldoende om deze uitsloverij op te roepen. In het Frans bestaat de uitdrukking: 'On peut cogner, chef?' die op evocatieve wijze de bedoelde mentaliteit weergeeft.

Onder de reacties die ik op deze serie heb mogen ontvangen, zijn er verschillende die van zulke helpers van God afkomstig zijn, waaronder enkele die de wrake Gods over mij afroepen: die komt beslist, misschien niet onmiddellijk, het kan even duren, maar op termijn is er geen ontkomen aan.

Toch zijn reacties van dit type altijd nog onderhoudender dan de didactische - spuit elf die nog eens komt uitleggen dat aangezien God de bron is van alle zedelijkheid, mensen die niet in God geloven dus niet deugen: ze zijn immoreel, 'mensen zonder gebod'. Volgens hetzelfde recept is God ook de bron van alle schoonheid en kan geen atheïst dus ooit echt kunst appreciëren, laat staan zelf iets voortbrengen dat mooi is. Vandaar het grote Christelijke wonder van de steeds mooiere Bijbel- en Psalmvertalingen.

Dan zijn er de Antoine Bodar-adepten, fijnproevers van esthetiek en duistere formules: 'God bestaat niet, dat is een groot mysterie, juist dáárom geloof ik. Dankzij Gods genade.'

Wat beweegt de mensen met deze dingen naar buiten te treden? Het tonen van vroomheid is traditioneel gericht op medestanders, zoals in de Vietnamtijd het demonstreren voor de Amerikaanse ambassade of meer recentelijk het sturen van briefkaarten met 'Ik ben woedend'. Het is een soort hard praten, bedoeld om door derden te worden gehoord.

Is de recente hausse in religie een modeverschijnsel? Het merkwaardige feit doet zich voor dat er mensen bestaan die volhouden van niet. Alle bekende kanonnen hebben er over geschreven. Kranten en weekbladen stonden er maandenlang bol van; ik doe maar een greep: 'God is in', titelt De Volkskrant van 11-6; 'Heimwee naar de hemel', NRC 27-4; 'Nieuw in de Moederkerk', Volkskrant 25-5; 'De terugkeer van God in Nederland', speciaal nummer van HP/de Tijd 24-5 met een dozijn beschouwingen. Nu is de stroom weer wat geluwd maar het eind is nog niet in zicht, het wordt het thema van de boekenweek 1997. In deze krant van 2-7 wordt een onderzoeker van de KUB geciteerd, genaamd Th. Schepens, die voor dit jaar meer dan 1000 toetreders tot de Roomskatholieke kerk verwacht; dat zijn er weliswaar nog altijd minder dan er jaarlijks de kerk verlaten, maar, zegt Schepens: 'Steeds meer mensen die toetreden hebben een hoge opleiding gevolgd... Kerkelijkheid krijgt een element van status.'

Deze uitspraak nu illustreert op fraaie wijze hoe de vork in de steel zit. Voor onontwikkelde mensen is katholiek worden tot op zekere hoogte nog te excuseren, aldus de onuitgesproken premisse, maar betreft het iemand met een hoge opleiding, die dus eigenlijk beter hoort te weten, dan is er sprake van iets bijzonders. Zeer juist, zo is het, en precies het bijzondere correspondeert met het modeverschijnsel.

Geloof en mode: een tijdje geleden probeerden de mensen er nog af te komen, maar nu is het weer geoorloofd 'iets met God en kerk te willen', zoals Marjoleine de Vos het in deze krant formuleerde ('De onschuldige tirannie van modes', 8-6-96).

Het was een beetje een inwendig tegenstrijdig stuk, waarin eerst betoogd wordt dat mode helemaal niet zo erg is (en waarbij ik - zeer terecht - als een strenge modehater word opgevoerd); maar daarna is het juist het ongeloof dat als mode wordt afgeschilderd ('die mode, dat het heel gênant was om iets met God en kerk te willen') - en dan is mode juist weer wel tiranniek en helemaal niet zo onschuldig.

Het noodlot wilde dat op de bladzijde tegenover Marjoleine de Vos' pleidooi voor (of tegen) de mode een gastcolumn was afgedrukt van A.C. Zijderveld, getiteld 'Katholiek reveil', waarin triomfantelijk werd aangekondigd dat de katholieke kerk bezig is een come-back te maken, 'want de tijd van het gedrukte en gesproken woord als het belangrijkste instrument van de menselijke communicatie is voorbij'.

Dat is hij in de jaren zestig ook al eens geweest. Geeft niets hoor, alles mag en niets hoeft, maar deze gastcolumn blijft een wonder, soms leek het wel een parodie: de openlijk beleden voorstelling van de Roomskatholieke kerk als een soort plaatjesgodsdienst die eigenlijk bedoeld is voor mensen die een beetje moeite hebben met lezen: 'De streng monotheïstische godsdiensten - jodendom, islam en calvinisme - zijn van oudsher te eenzijdig op het gesproken en geschreven woord georiënteerd, verafschuwen afbeeldingen... Het Gregoriaans en de wierook leggen het kille verstand aan banden...'

'We gaan wat religie betreft een katholieke toekomst tegemoet', juicht Zijderveld, maar hij waarschuwt ook, pas op: zolang de kerk maar niet toegeeft aan 'de hervormingsgezinden die vaak op hinderlijke wijze voortdurend aan het woord zijn' en zich onderwerpt aan de 'duidelijke en harde standpunten die vanuit Rome worden opgelegd'.

Toen ik dat las dacht ik: waarachtig, deze dimwit is misschien niet eens een echte katholiek, maar zo iemand die zich al zalig voelt worden bij die 'harde standpunten uit Rome'. En zie, de correspondentie die er op volgde bevestigde het: ik ben, schreef Zijderveld, niet eens katholiek! Wat is hij dan wel? Ziedaar een specifiek onderdeel van de hedendaagse mode voor de godsdienst: dat zij vooral gepropageerd wordt door mensen die het geloof een heel goed idee vinden - voor anderen. Ook helpers van God, maar zonder in Hem te geloven, een nog krankjorumer mysterie dan Antoine Bodar. Zelf hebben ze het geloof niet nodig, maar het is heel gezond voor de samenleving. Het herinnert aan de instelling die gangbaar is bij sportliefhebbers: niet om zelf te doen, het gaat om de lustgevoelens verbonden aan het zien van anderen die zich afbeulen.

Mode, in de gangbare gedaante, is napraten, het nadoen van anderen; maar hier hebben we te maken met een nieuwe, vicariërende vorm: het toejuichen van napraten en nadoen door anderen. Als je wilt geloven, moet je niet een ander het vuile werk laten opknappen. Zelf doen is dan wel het minste!

    • Rudy Kousbroek