Weg met de kunstleren boodschappentas; Literaire beschouwingen van Joost Zwagerman

Joost Zwagerman: In het wild. Uitg. De Arbeiderspers, 163 blz. Prijs ƒ 29,90

Een romanschrijver dient met de bundeling van zijn artikelen over moderne literatuur, of hij dat wil of niet, verschillende doelen. Hij leert ons iets over de boeken en schrijvers die hij behandelt. Hij kan de meningsvorming over de literatuur stimuleren. Maar belangrijker is dat hij in zijn bundel zijn eigen positie kan toelichten. De keuze van zijn onderwerpen en het oordeel over zijn levende en dode collega's zijn vaak alleen al interessant omdat ze de achtergrond laten zien waartegen we zijn romans kunnen lezen.

In zijn bundel In het wild heeft Joost Zwagerman veertien stukken bijeengebracht die hij tussen 1992 en 1995 in Het Parool, HP/De Tijd en Vrij Nederland publiceerde. De meeste vormen een goede introductie tot een aantal schrijvers en culturele fenomenen. Maar daarnaast laten ze zien waar Zwagerman in zijn fictie voor staat.

Zwagermans interesse gaat in de bundel vooral uit naar de Anglo-Amerikaanse cultuur van deze eeuw. Hij schrijft waarderend over de moderne klassieke schrijvers Vladimir Nabokov, Henry Miller, John Updike en Saul Bellow. Hij verplaatst zich in generatiegenoten als Douglas Coupland van Generation X, en hij wordt gefascineerd door eigentijdse cultfiguren als Andy Warhol, Jeff Koons, Keith Haring en Camilla Paglia.

Alleen op het gebied van de popmuziek heeft hij niet zoveel op met Amerika. Dat kan te maken hebben met de onderwerpen die zich de afgelopen jaren aandienden, maar waarschijnlijker is dat de Engelse popmuziek hem meer stimuleert dan de Amerikaanse. Elvis Costello en The Sex Pistols zeggen hem meer dan Pearl Jam.

Wat Zwagerman bezighoudt, is niet zo zeer de vorm als wel de mate waarin een verschijnsel een afspiegeling is van de tijd waarin het ontstaat. Tot zijn eigen verbazing moet hij toegeven dat de oudere Amerikanen John Updike en Saul Bellow om die reden ook voor hem nog steeds de belangrijkste Engelstalige schrijvers zijn. Net als bij veel jonge Engelse schrijvers staan de realistische en traditionele romans van deze twee 'reuzen' bij Zwagerman hoger aangeschreven dan 'de nouveau roman, het postmoderne taalspel, deconstructivisme, new journalism, faction, intertextualiteit en (-) Ander Proza' van zijn eigen generatie.

Ook in de popmuziek wordt Zwagerman vooral aangesproken door bandjes die hem het gevoel geven dat ze hun tijd verwoorden. Of het daarbij ook nog doordacht of meeslepend is, is voor hem niet belangrijk.

Deze ondergeschikte positie van het gevoel en het verstand breekt Zwagerman in zijn eigen essays een enkele keer op. In In het wild is hij op zijn best wanneer hij zijn onderwerp al schrijvende de baas wordt en tegelijk voldoende afstand houdt om zijn oordeel rustig te kunnen formuleren. Hij is dan de aardige leraar die in wat hij behandelt steeds weer iets nieuws weet te ontdekken, en die soms wat onbeholpen maar altijd enthousiast uitlegt waarom we niet meteen alarm moeten slaan bij elk nieuw punkbandje.

In zijn stuk over Camilla Paglia brengt hij die afstand en wijsheid niet op. Met het gevolg dat zijn betoog in een vreemd soort gestamel ontaardt. De Amerikaanse literatuurwetenschapper Camilla Paglia veroverde vier jaar geleden Nederland met een boek waarin zij tweeduizend jaar wereldliteratuur aaneen reeg. Zoiets moet met argwaan en een kritische blik benaderd worden. Maar dat is niet Zwagermans stiel. In plaats van de ideeën van Paglia aan een grondige analyse te onderwerpen, en zich af te vragen waarom zo iemand plotseling de lucht in wordt gestoken, werpt hij zich als een verliefde puber aan haar voeten. Zij wordt in één lange zin achtereenvolgens aangeduid als: uitbundig, geestig, banaal, scherp, overdreven, erudiet, meedogenloos, koppig, monomaan, zelfgenoegzaam, grotesk, inspirerend en opzwepend.

Arme Paglia. Arme Zwagerman.

De plaatsbepaling van Zwagerman binnen de literatuur komt in In het wild beter tot zijn recht in een stuk over Updike en Bellow en in de polemische bijdrage die hij schreef als reactie op 'De broer van Mien uit Assen', Bas Heijnes artikel in deze krant over literatuur op televisie. In deze twee stukken stelt hij zich nadrukkelijk op als een schrijver voor wie de roman commentaar moet leveren op de werkelijkheid. Zwagerman stelt zich teweer tegen de 'nieuwe academische etiquette' die leert dat een boek alleen maar naar zichzelf mag verwijzen en houdt een krachtig pleidooi voor een nieuw soort geëngageerde kunst. Wat hem bij de grote Amerikanen bevalt, schrijft hij, is de vanzelfsprekendheid waarmee ze in hun werk het dagelijks leven omarmen.

In zijn stuk over Bellow en Updike vraagt Zwagerman zich af waarom er in Amerika een roman kon verschijnen onder de titel Memories of the Ford Administration, terwijl in Nederland een roman als Herinneringen aan het kabinet Den Uyl meteen een 'neorevisoriaanse' fatsoenspolitie op de been zou brengen.

Op dit punt slaat Zwagerman te ver door. Nicolaas Matsier, naar wie hij waarschijnlijk verwijst, heeft in zijn roman Gesloten huis wel iets meer gedaan dan een 'fenomenologie van de kunstleren boodschappentas' leveren. Dat boek is als tijdsbeeld net zo geslaagd als destijds Zwagermans Gimmick!

Zwagerman moet niet zo zeuren over die paar 'neorevisoriaanse' critici die er misschien nog rondlopen. Laat hem liever de daad bij het woord voegen, en vandaag nog beginnen aan zijn Jaren onder Lubbers.

UIT: JOOST ZWAGERMAN, IN HET WILD

Over de staart van de jaren zestig viel (-) niet bepaald op te snijden. Je was jong en er gebeurde niets. Buiten stonden Margaret Thatcher en Ronald Reagan in de startblokken; binnen huisden Van Agt en Wiegel. Nederland was één grote nieuwbouwwijk, omgeven door opgespoten zand, een beetje De Noordelingen, maar dan in het groot. Op de radio draaiden dj's de hits van KC and the Sunshineband, Abba en Pussycat, of anders klonk er wel deprimerende symfonische rock van mannen met baarden die allemaal leken op je leraar maatschappijleer, die op zijn beurt zijn sullige strijdbaarheid moest hebben afgekeken van Michael Stivic, de immer verongelijkte maar weinig daadkrachtige schoonzoon van Archie Bunker uit All in the Family.

    • Reinjan Mulder