Waarom ik de menselijke soort wil schaden; De opdracht van de schrijver

“Wanneer een romanschrijver, of degene die daarvoor wenst door te gaan, beweert: lezen is een intellectuele activiteit en de betovering, de vervoering, en de tranen laat ik over aan Walt Disney, MGM en Joop van den Ende, dan zullen toekomstige generaties hem in het vagevuur vragen, 'waar was jij toen wij betoverd wilden worden, er was alleen MGM, Joop van den Ende en Walt Disney, wij hadden geen andere keus.” Arnon Grunberg over de criteria waaraan een roman moet voldoen.

In The New Yorker van 24 juni geeft Bill Buford de volgende definitie van een verhaal: 'It is a piece of writing that makes the reader want to find out what happens next.'

Dit lijkt me meer dan een juiste definitie, we weten nu meteen ook wat de taak van de schrijver is. Want natuurlijk heeft een schrijver net als een vuilnisophaler, een groenteboer en een tandarts een taak: ervoor zorgen dat de lezer de bladzijde omslaat, omdat die lezer wil weten hoe het verder gaat. Dat is alles. Een schrijver hoeft niet te beleren noch te verontrusten, hij hoeft ook niet te troosten, hij hoeft niet kuis te zijn, maar hij hoeft ook niet vulgair te zijn, noch hoeft hij de werkelijkheid te duiden, zoals Gerard Reve beweert in Zelf schrijver worden. Want wat is de werkelijkheid duiden? Is het niet zeer goed te beargumenteren dat het verslag van de eerste de beste sportjournalist van de wedstrijd Ajax-SC Cambuur ook een duiding is van de werkelijkheid? Nee, met het begrip 'duiding van de werkelijkheid' kan ik niet uit de voeten. Het is me te weinig concreet, te vaag, het laat te veel ruimte over voor misverstand. Philip Roth vertelde ooit in een interview dat toen hij literatuur doceerde begrippen als thema, vorm, en inhoud in zijn klaslokaal verboden waren. Aan het verbod op inhoudsloze begrippen zou ik het begrip 'duiding van de werkelijkheid' willen toevoegen.

Een schrijver mag dus alles, als hij maar aan zijn eerste en belangrijkste opdracht voldoet.

In Nederland heb je de 'maand van het spannende boek'. Beter kan het tragische misverstand niet worden weergegeven: men denkt blijkbaar dat er spannende boeken zijn, thrillers, detectives, spionageromans, en dat er daarnaast andere, niet-spannende boeken zijn. Zullen we die maar literatuur noemen? Is Madame Bovary niet spannend? Is Kees de Jongen niet spannend? Is het verhaal 'Voor Esmé - veel liefs en morsigheid' niet spannend? (Er zijn natuurlijk honderden andere verhalen te bedenken, maar ik vind alleen al de titel van dit verhaal van Salinger zo mooi, dat ik niet kan nalaten het te noemen.)

Geen enkele roman, geen enkele film, kortom geen enkel verhaal kan bestaan zonder spanning. Want zonder die spanning denkt de lezer juist niet, wat zou er op de volgende bladzijde gebeuren? De lezer denkt: wanneer is het eindelijk afgelopen, en, laat ik eens naar buiten gaan om te kijken hoe het met mijn perzikboompje gaat.

Dat er boeken worden uitgegeven waarin de schrijver zijn best doet elke spanning op iedere bladzijde om zeep te helpen, is geen bewijs voor het tegendeel. Deze boeken bestaan niet echt. Ze worden gedrukt, staan een tijdje in de boekhandel, en verdwijnen dan naar het vagevuur waar ze door de bewoners aldaar moeten worden gelezen tot het eind der dagen.

Dit eerste tragische misverstand is alleen maar te verklaren door een tweede tragisch misverstand.

Veel mensen, met name veel mensen uit dat hele kleine groepje dat wel eens een boek koopt, associëren bewust of onbewust spanning met iets vulgairs, iets banaals, iets goedkoops, iets wat niets te maken kan hebben met hogere cultuur.

Alleen zo is de Maand van het Spannende Boek te begrijpen. Want het uitroepen van zo'n maand is net zoiets als het uitroepen van de Maand van de Tweebenige Mens. Als Philips ooit nog eens de Maand van het Lichtgevende Licht uitroept is definitief het bewijs geleverd dat de waanzin niet beperkt blijft tot vakken als literatuur, psychologie, filosofie en sociologie.

Om spanning op te roepen heb je geen halfautomatische wapens nodig, ook geen buitenaardse wezens, dinosaurussen of orkanen. Het oproepen van spanning kan ook nooit een trucje of een handigheidje zijn van de schrijver. Want lezers zijn niet gek. Schrijven is natuurlijk meer dan de vraag, hoe roep je spanning op. Schrijven is nu eenmaal meer dan alleen een technische kwestie.

Iemand wees mij laatst op mijn boosaardigheid. (Ik beschouw me als de goedheid zelve, maar het gaat me om het voorbeeld.) Ik hoef nooit te vragen: hoe roep ik mijn boosaardigheid op. Dat kan zelfs niet. Mijn boosaardigheid is als lava en stroomt 24 uur per dag. Onuitputtelijk, kokend en rood, zo is mijn boosaardigheid. Maar als je het laat afkoelen, kun je het ook meenemen in een potje voor onderweg. Alle technische aspecten van het schrijven laten zich samenvatten in één vraag: hoe roep ik spanning op? Over alle andere aspecten valt weinig meer te zeggen dan dat ze behoren te stromen als lava, maar dat ze meegenomen moeten kunnen worden in een klein potje voor onderweg, mits goed afgekoeld.

Buford eindigt zijn essay over 'het verhaal' zo: 'We have returned to narratives - in many fields of knowledge - because it is impossible to live without them.'

Volgens mij is er niet eens sprake van een terugkeer. Verhalen zijn er altijd geweest, zelfs toen invloedrijke personen het 'conventionele verhaal' verketterden, omdat de werkelijkheid te complex zou zijn voor een dergelijk verhaal. Ach, die verrukkelijke complexiteit van de werkelijkheid. Ze kan dienen als excuus voor bijna alles.

Als Buford gelijk heeft en we niet kunnen leven zonder verhalen, waarom moet het verhaal dan toch verdedigd worden? En hoe komt het dat de roman iedere twee jaar opnieuw wordt opgegeven als een hopeloze patiënt? Sterker nog, volgens sommigen allang gestorven is, alleen hebben we dat nog niet door. Zodat Salman Rushdie in hetzelfde nummer van The New Yorker er vijf pagina's voor uittrekt om aan te tonen dat de roman helemaal niet dood is, maar springlevend.

In zijn essaybundel Verraden Testamenten schrijft Milan Kundera: 'Humor is geen oeroude menselijke praktijk; het is een uitvinding die verbonden is met de geboorte van de roman. Humor is (-) een bijzondere vorm van het komische waarvan Paz zegt (en dit is de sleutel tot begrip van het wezen van de humor) dat hij, 'al wat hij aanraakt ambigu maakt'.

Als Kundera gelijk heeft, en het is aannemelijk en aanlokkelijk te geloven dat hij gelijk heeft, dan is naast spanning de humor die alles ambigu maakt onontbeerlijk voor de roman.

Wat is humor die alles ambigu maakt? Het woordt 'ambigu' is hier belangrijker dan het woordje 'humor'. Tenslotte zijn er mensen die zullen beweren dat een bloembak die op iemands hoofd valt ook humor is. Terwijl dat niets met ambiguïteit te maken heeft, maar alles met zwaartekracht.

Ambiguïteit is het tegenovergestelde van alles wat absoluut is. In een roman is dan ook geen plaats voor zaken als het absolute goed en het absolute kwaad. Ik kan het begrip 'ambigu' het best uitleggen met een zin uit een essay van Woody Allen: 'Onthoud ook dat voor de minnaar de beminde altijd het allermooiste is wat hij zich voor kan stellen, zelfs als een vreemde het verschil niet ziet tussen haar en een portie spiering.'

Nu begrijpen we 'de humor die alles ambigu maakt.' Want wie moeten we geloven: de minnaar of de vreemde? Is zij de allermooiste of een portie spiering? Waarschijnlijk allebei tegelijk. De 'humor die alles ambigu' maakt kunnen we het best onthouden met dit ezelsbruggetje: zij kan de mooiste van de wereld zijn, maar tegelijkertijd ook een portie spiering. Dat is ambigu.

En iedereen die wel eens de allermooiste heeft ontmoet, begrijpt ook meteen hoeveel waarheid er in ambiguïteit zit. Want het verschil tussen een portie spiering en de allermooiste is minder groot dan de modebladen, de televisieseries en de meeste films en boeken ons willen doen geloven. Die vertellen ons namelijk: hier heb je de held, daar de heldin, en de portie spiering zit in de regenjas van de boef die hij straks samen met zijn eenogige kat gaat opeten. In een roman kan zoiets niet gebeuren, al was het alleen maar omdat een serieus te nemen romanschrijver geen reclame mag maken voor het menselijk ras. Het diepste wezen van al die eerder genoemde bladen, series, films en boeken bestaat uit sluikreclame voor het menselijk ras.

We hebben al gezien dat een schrijver alles mag. Deze regel moeten we uitbreiden. Een romanschrijver mag alles, maar geen reclame maken voor het menselijk ras. Het derde tragische misverstand dat ons hopelijk duidelijk zal maken waarom beweerd wordt dat de roman op sterven na dood is, is een tragisch misverstand over de lezer en het lezen. Er wordt gezegd dat het lezen van een roman een intellectuele activiteit is. Ik heb het zelfs onlangs in de krant gelezen. Weer een begrip dat uitblinkt door zijn nietszeggendheid. Is het zetten van een kopje thee geen intellectuele activiteit? Is het kopen van wc-papier geen intellectuele activiteit? Is voor het verrichten van deze handelingen geen denkwerk nodig, moeten wij niet combineren en deduceren om een kopje thee te zetten, respectievelijk wc-papier te kopen?

Direct na de intellectuele activiteit doet de serieuze lezer zijn intrede, als tragisch misverstand 3A. De serieuze lezer wenst niet betoverd, vervoerd, geraakt en meegesleept te worden. In tegenstelling tot de niet-serieuze lezer, laten we die de keukenmeidenromanlezer noemen. Ten slotte is lezen een intellectuele bezigheid en hoe is zo'n bezigheid te rijmen met een verfoeid begrip als betovering.

Hieruit volgt het derde gebod voor de schrijver: in iedere lezer huist een keukenmeid die meegesleept, vervoerd, geraakt en betoverd wenst te worden. Wie dat ontkent, pleegt niet alleen verraad aan het tweede gebod, dat van de ambiguïteit, maar is ook een meester in de hypocrisie. Ik weet dat het grootste talent van het menselijk ras het talent is om hypocriet te zijn, maar daar hoeven we ons niet bij neer te leggen. Wanneer een romanschrijver, of degene die daarvoor wenst door te gaan, beweert: lezen is een intellectuele activiteit en de betovering, de vervoering, en de tranen laat ik over aan Walt Disney, MGM en Joop van den Ende, dan zullen toekomstige generaties hem in het vagevuur vragen, 'waar was jij toen wij betoverd wilden worden, er was alleen MGM, Joop van den Ende en Walt Disney, wij hadden geen andere keus'.

Onlangs maakte in een dagblad een uitgever de volgende opmerking over een van zijn auteurs: 'Hij is in staat banale gebeurtenissen uit de alledaagse werkelijkheid een poëtische glans mee te geven.'

Waar gaat dit over? Een nieuw soort lak voor uw parket? Of is het een modeontwerper die avondjurken voor dames van middelbare leeftijd in de aanbieding heeft?

Ergens anders las ik. 'Die schrijvers vonden dat het er niet om ging een verhaal te vertellen maar te behandelen.' (twee willekeurige voorbeelden, ik zou er honderden kunnen geven.)

Hoe behandel je een verhaal? Net als een gebroken knie? Of meer als een ziek konijntje? En hoe ziet een schrijver eruit die een verhaal behandelt? Volgens mij is het behandelen van verhalen net zoiets als het uit zee vissen van valse baarden, maar dit terzijde. Want we zijn nu aangekomen bij het vierde en laatste tragische misverstand. Het is het misverstand van de vaktaal en het rookgordijn.

Het is een misverstand dat de taal een probleem is en dat de werkelijkheid een probleem is. Hoe vaak is dit niet beweerd door serieuze schrijvers en serieuze lezers die nadenken over boeken en die die gedachten later zelfs opschrijven in allerlei periodieken. Voor eens en voor altijd, noch de taal is een probleem, noch de werkelijkheid. Als ik het woord 'boom' opschrijf weet u donders goed wat ik bedoel en u denkt niet, daar staat boom, maar volgens mij bedoelt hij vrachtwagenchauffeur of tweedehands zomerjurk. Maar nog steeds zijn er mensen die beweren dat het woord 'boom' niet naar 'boom' zou verwijzen. En deze mensen lopen vrij rond en doceren aan universiteiten. Hun volstrekte gebrek aan talent noemen zij, 'het probleem van de werkelijkheid', en 'het probleem van de taal'.

Iemand die geen talent heeft en graag iets wil, zouden wij één keer per week moeten uitnodigen voor een warme maaltijd. Maar iemand die geen talent heeft en dat gebrek aan talent 'het probleem van de werkelijkheid' en 'het probleem van de taal' noemt, zo iemand zouden wij moeten bekogelen met rotte vruchten en andere voorwerpen uit de biobak. En dat vijf dagen per week.

Zoals een schrijver boven alles voor spanning dient te zorgen om de nieuwsgierigheid van zijn lezers vast te houden, zo dient een essayist vooral zo helder, beknopt en precies mogelijk te zijn. Als ik in mijn essays persoonlijk ben is dat niet, omdat ik zo van mijzelf houd dat ik ook nog in mijn essays wil voorkomen, maar omdat ik geloof dat het persoonlijke tot helderheid leidt en het onpersoonlijke, het algemene tot vaagheid, verwarring en uiteindelijk nietszeggendheid. Een uitspraak als 'het thema van alle kunst is de dood', zegt me niets. Want over welke dood hebben we het? Moeten we niet weten wie is doodgegaan om te voorkomen dat de dood een abstract begrip blijft?

Dat is ook de reden dat de hoofdpersonen in romans nooit volkeren zijn, religieuze groeperingen, of de verzamelde Nederlandse schoenverkopers, maar personen. Want alleen met personen kunnen wij ons indentificeren.

In een van zijn brieven schrijft Flaubert: 'Ik heb eigenlijk maar voor twee mensen diepe achting: Rabelais en Byron, de enige twee die geschreven hebben met de bedoeling de menselijke soort te schaden en haar in het gezicht uit te lachen. Wat een geweldige houding is dat, om zo tegenover de wereld te staan!'

Het is dus niet genoeg jezelf, je moeder, je familie, je leraren, je vrienden, je vrouwen, hun mannen, hun kinderen en de buren te schaden, nee een romanschrijver dient te schrijven met de bedoeling de gehele menselijke soort te schaden.

Rushdie schrijft in The New Yorker dat hij zich weinig zorgen maakt over de toekomst van de roman.

Ik maak me daar ook weinig zorgen over. Vooral omdat ik denk dat er altijd wel weer een paar mensen zijn die zullen denken: godverdomme, schrijven met de bedoeling de menselijke soort te schaden. Dat wil ik ook.

    • Arnon Grunberg