Waar eens de spoelmachines draaiden, zetelt straks de gemeente

1996 is uitgeroepen tot het jaar van het industriële erfgoed. Onder dit begrip wordt een veelomvattende reeks historische objecten van industriële aard verstaan. Daartoe behoren in de eerste plaats oude fabrieken, die vaak hun oorspronkelijke functie verloren hebben en met sloop worden bedreigd. Soms krijgt zo'n gebouw een nieuwe bestemming, zoals de voormalige Tricotfabriek G.J. Willink in Winterswijk.

Een joint in de morgen is een dag zonder zorgen”, staat er op de muur gekalkt: de boodschap van een stel krakers die circa tien jaar geleden de spoelerij van voorheen N.V. Tricotfabriek G.J. Willink in Winterswijk bewoonden. Sinds 1978, toen het complex werd gesloten en ontruimd, heeft het verval als een furie toegeslagen. Praktisch alle ramen zijn ingegooid, verwrongen staal en geblakerd houtwerk getuigen van een moeizaam gebluste brand en van de zes schoorstenen staat er nog maar één overeind. “Toch was dit ooit de grootste en modernste textielfabriek van Winterswijk en wijde omgeving”, zucht J.W. Scholtz, geschiedenisleraar en voorzitter van de streekhistorische vereniging.

Maar er is weer hoop voor Tricot. Mede dank zij het ijveren van Scholtz krijgt de fabriek grotendeels een nieuwe bestemming. De spoelerij, waar vroeger de katoenen of wollen garens op grote klossen werden gespoeld, zal worden verbouwd tot stadskantoor. Ook de langgerekte gevel aan de Wilhelminastraat blijft gespaard als authentiek front voor een serie appartementen. Alleen de opslagloodsen of sheds, die in cultuurhistorisch opzicht minder belangwekkend zijn, gaan tegen de grond, zodat ter plaatse woningen kunnen verrijzen.

Eerdere plannen om het hele complex af te breken terwille van een detailhandelscentrum zijn daarmee van de baan. Begin vorig jaar nam de raad van Winterswijk het besluit tot behoud, waarna de gemeente voor 3,5 miljoen gulden eigenaar werd van het terrein. Om de spoelerij tot stadskantoor om te toveren, is nog eens 14,3 miljoen nodig, volgens Scholtz ongeveer net zo veel als nieuwbouw zou kosten. Zoals de zaken er nu voorstaan, draagt de provincie Gelderland enkele miljoenen bij in de kosten, maar van het rijk is financieel geen heil te verwachten. Een verzoek om de fabriek op de nationale lijst van beschermde monumenten te plaatsen, is afgewezen.

Desondanks lijkt Tricot nog een lang leven beschoren als tastbare herinnering aan de textielindustrie, die niet alleen in Twenthe, maar ook in de naburige Achterhoek een krachtig stempel op het sociaal-economische leven heeft gedrukt. Er zijn tijden geweest dat deze tak van nijverheid, ontstaan in het midden van de negentiende eeuw en voortgekomen uit de vlasteelt, alleen al in Winterswijk aan twee- tot drieduizend mensen werk verschafte. De laatste bloeiperiode viel omstreeks 1950, de ondergang volstrok zich een jaar of twintig later. Nu telt het dorp van 28.000 zielen nog maar enkele kleine textielbedrijfjes met samen zo'n 150 arbeidsplaatsen; een schamel restant van wat er eens is geweest.

Gerrit Jan Willink, de stichter van Tricot, speelde in de industriële ontwikkeling van de Achterhoek een opvallende rol. Hij begon op 1 juli 1888 met een werkplaatsje achter zijn ouderlijk huis en liet twee jaar later het eerste deel van de fabriek aan de Wilhelminastraat bouwen: decennialang de kern van het bedrijf. Volgens de geschiedschrijving was hij een ondernemer van buitengewone intuïtie, die destijds een gat in de markt ontdekte en wist te vullen door de produktie van katoenen en wollen stoffen die met het lichaam meerekten en dus vooral geschikt waren voor ondergoed, zeer gewild bij het grote publiek. Die soepelheid van het materiaal ontstond doordat de stoffen niet werden geweven, maar machinaal op stoomkracht werden gebreid: reden waarom de fabriek de bijnaam 'Breistoom' kreeg.

Na de Tweede Wereldoorlog verwerkte het bedrijf ook synthetische garens tot kledingstof. In de jaren vijftig 1950 was het nog altijd de grootste onderneming van Winterswijk met circa 800 werknemers en diverse filialen in de omtrek, maar later ging het als gevolg van buitenlandse concurrentie bergafwaarts. Ook de lancering van Bon Giorno-ondergoed ('Met het gouden haantje') en een fusie met Hollandia in Veenendaal brachten geen uitkomst, zodat er niets anders opzat dan de fabriek te ontmantelen, wat in 1978 gebeurde.

Oprichter Willink, die nooit getrouwd is geweest, gold jarenlang als de rijkste man van Winterswijk. Hij was er ook de eerste autobezitter, die zich per A-Ford door zijn chauffeur Goorhuis liet rondrijden. Naar verluidt kwam ook het eerste auto-ongeluk in deze contreien op hun conto. Bij zijn dood in 1933 liet Willink een voor die tijd fabelachtig vermogen na, dat bij gebrek aan nazaten deels ten goede kwam aan de gemeenschap. Het personeel van de Tricotfabriek schonk hij 300.000 gulden, het Algemeen Ziekenhuis ƒ 50.000 en de Doopsgezinde Gemeente ƒ 25.000.

Toen Willink eind vorige eeuw zijn vleugels als industrieel ondernemer uitsloeg, trok hij de architect Gerrit Beltman uit Enschede aan om het pand in de Wilhelminastraat te ontwerpen. Beltman, begonnen als timmerman, had zich gespecialiseerd in textielfabrieken en was jarenlang de vaste bouwmeester van de firma Van Heek en Co. Veel van zijn Twentse scheppingen zijn in de loop der jaren gesloopt. Voor zijn werk bracht Gerrit vijf procent van de aanneemsom in rekening, wat aan de hoge kant. Hierdoor miste hij in 1897 opdracht voor het grote textielbedrijf Richtersbleek in Enschede.

Later, in 1912, werd zijn zoon Arend, die het architectenbureau Beltman had overgenomen, ingeschakeld om bij de Winterswijkse Tricotfabriek een nieuwe spoelerij te bouwen: het deel dat volgens de jongste plannen stadskantoor moet worden. De fabriek had geen eigen spinnerij, zodat men was aangewezen op gekocht garen, dat op zogeheten spinhulzen werd aangeleverd. Omdat die hulzen te klein waren voor de breimachines, moesten de draden eerst op grote klossen worden gespoeld.

Kenners noemen de spoelerij, die in fasen tot stand kwam en drie verdiepingen telt, een bijzonder voorbeeld van vroege betonskeletbouw, voor die tijd een hypermodern systeem, dat vrijwel niet eerder was toegepast en pas in de jaren twintig een doorbraak beleefde. Het zijn vooral de grote ruimtes, onderbroken door betonnen pilaren, en de metalen ramen met oorspronkelijk veel glas die aan de kwalificatie bijdragen, maar intussen vraagt het wel een ruime verbeeldingskracht om de bestaande puinhoop weer tot bloei te zien komen.

Scholtz twijfelt er niet aan. “Dit moet de burgemeesterskamer worden”, meldt hij driehoog, “met uitzicht over heel Winterswijk.” Ook hier heeft een kraker per spuitbus zijn sporen nagelaten: “Es gibt keine Alternative zum Revolution.” Scholtz: “Een Nederlander waarschijnlijk, want er had zur moeten staan.”

Geraadpleegde lectuur: een aan Tricotfabriek G.J. Willink gewijde aflevering van het tijdschrift Buiten Bedrijf en een artikel van dr. R. Stenvert over vader en zoon Beltman.

    • F.G. de Ruiter