Volmaakt onverstoorbare lach; Tentoonstelling over het Tibetaanse boeddhisme in Bonn

Vrede - dat verbeeldt de Boeddha op de vele sculpturen en tekeningen die te zien zijn op een grote tentoonstelling over duizend jaar kunst van het Tibetaanse boeddhisme in Bonn. De vele vergulde goden die daar aan de toeschouwer voorbij trekken, dwingen ontzag af. “Achterdocht, rotstreken, zwakheden, rancune: hij heeft het door, en zijn blik suggereert zelfs dat hij er tot in de eeuwigheid begrip voor kan opbrengen.”

Wiesheit und Liebe. Kunst- und Ausstellungshalle Bonn, Friedrich-Ebert-Allee 4. T/m 24 aug. Di t/m zo 10-19u. Catalogus ƒ 89,10. Bron: Godenbeelden uit Tibet; Hugo Kreijger, SDU Uitgeverij, Openbaar Kunstbezit.

Het land heet het Dak van de Wereld te zijn, er zijn ijle hoogten en eeuwige sneeuw. De mensen lachen er vaak, dat doen althans de foto's vermoeden. En daar hebben ze geen enkele reden toe. Want China probeert hen al decennia lang te ringeloren en dat gaat gepaard met pesterijen en verordeningen. In de jaren vijftig is het menens geworden. Er werden kloosters verbrand, monniken vermoord en wie overleefde trok naar India, om daar wèl te mogen geloven. De meest recente verordening schrijft voor dat er nergens meer een portret mag worden gezien van de Dalai Lama, de goedlachse geestelijk leidsman van de Tibetanen, want over dat volk gaat het hier. Alle lijsten hangen in tempels en bij huisaltaren nu inderdaad leeg te zijn.

Wie weet hoe het er verder in dat Verboden Rijk aan toe gaat? En wat weten we van de godsdienst daar? Dat is weinig, terwijl “Tibet toch een en al religie is” vertelt de jonge monnik Lobsang Gawa. Als kind zag hij vaak hoe gelukkig zijn ouders waren als zij hun geloof beleden en daarom wilde hij zich later nergens anders dan daarmee bezighouden. Samen met enkele collega's heeft hij net in Bonn uit zandkorrels een mandala gecomponeerd. Dit kosmisch diagram ziet eruit als een vernuftige plattegrond van de Borobodur, omgeven door wervelende sierranden.

Het mozaïek helpt de monniken bij het mediteren. Het zuurtjes-roze, het hemelsblauw en alle schakeringen die ertussen zitten, zijn vanuit ijzeren pijpjes millimeter-gewijs op het platte vlak getikt. Vier dagen hebben de monniken over die smetteloze zandcontouren gedaan. Elke Duitser vraagt, als hij de kans krijgt, of de Tibetaanse heren moe zijn. Daar begrijpt Lobsang Gawa niets van. Want tijd is geen factor in Tibet en van religieuze overgave raakt een mens niet uitgeput. Nee, in Duitsland zou hij nooit willen wonen. Dat weten zijn hoofd en hart al heel zeker. Nog even en dan mag hij weer terug naar zijn klooster in India, waar nog vijf van de dertien studiejaren voor de boeg liggen.

Wie nu afreist naar Bonn, naar de tentoonstelling Weisheit und Liebe - duizend jaar kunst van het Tibetaanse boeddhisme - zoekt vergeefs naar die mandala. Een deel van het zand rust inmiddels in rituele vazen; de rest moet naar de bodem van de Ruhr zijn gezonken. De Dalai Lama zelf kwam voor de rituele verdwijning van het monnikenwerk even in de Kunsthalle langs. De conferentie die hij daar zou bijwonen moest het op het laatste moment zonder de financiële bijdragen van Duitsland stellen, vertelt Gawa. De tentakels van China reiken blijkbaar moeiteloos tot de ambtelijke bureaus van Bonn.

Hoe belangrijk ook voor de Tibetaanse boeddhist, de mandala was niet meer dan een curiositeit tussen de vele hand- en manshoge bronzen die hier van heinde en verre zijn samengebracht. De regimenten vergulde goden, gezegend met ideale lichaamsrondingen en wespentailles, dwingen veel ontzag af. Goedschiks of kwaadschiks bestieren ze land en zee en lucht. Vooral Amerikaanse privé-collectioneurs gaven hun mooiste stukken in bruikleen; duizend jaar oude bronzen en bijna net zo oude thangka's, rolschilderingen van gouache op katoen. De verftinten - het zwart, het kosmisch blauw, het wijn-, tomaten en baksteenrood - zijn ongeschonden bewaard gebleven.

Gelukkig verwondert ook de monnik Gawa zich hier over het grenzeloze pantheon van boeddha's, legendarische leermeesters, lama's en bodhisattva's, elk met weer eigen attributen en eigenschappen. De laatsten zijn de spirituele, alwetende zonen van de Grote Boeddha die met veel empathie toezicht houden op de wereld. Uit deze 'gidsen naar de verlossing' kiest de boeddhistische sterveling een 'goeroe' die karakterologisch bij hem hoort. Bij hem raakt hij zijn zorgen kwijt; bij hem vindt hij bescherming, rust of strijdlust.

Gawa zelf kijkt op deze tentoonstelling graag naar de twee manshoge, zittende figuren uit de tempel van Chahar, Mongolië. Ze vormen de kern van het boeddhisme, vertelt hij. Een Zweedse geograaf bracht de twee koperen kolossen begin deze eeuw naar Stockholm. Jammer dat er geen opnamen van dat transport bestaan. Hoe zullen deze vergulde goden hebben uitgekeken over zonnige steppen en stations?

Nu zitten de personificaties van wijsheid en mededogen, toegedekt met knotsen van edelstenen, te mediteren op hun lotuszetel. De belichting suggereert een intiem heiligdom. Elke volwassene zou met gemak veilig op hun schoot kunnen kruipen, maar dat lef heeft hij niet. De ene heft het zwaard van de onwetendheid, dat in een klap het Hoogste Inzicht geeft in de oorzaken van het aardse verdriet; de ander, een vierarmige gedaante, houdt twee handen voor de borst en heeft in de twee andere een rozenkrans en lotus.

Niet in het lijden, zoals in de christelijke schilderkunst, maar in de verlossing van het lijden, in de volmaakte vrede, stelt Boeddha zichzelf in beelden en schilderingen ten voorbeeld. Die Ene, zoals hij wordt genoemd, is aan elk aards streven ontstegen. Hij lacht de lach van de volmaakte onverstoorbaarheid, hij is in een 'zijn' waarbij elk menselijk tekort is opgeheven. Begeerte zal vergeefs bij hem aankloppen.

Boeddha heeft 'het gezicht van de ongeborene', zoals de onlangs overleden Bert Schierbeek in een tv-documentaire die rustgevende gelaatsuitdrukking omschreef. Die Ene is vol-ledig - leeg dus, en leegte is niet alleen de oorsprong van alle vormen, maar ook de ultieme waarheid. Hij die verlicht is kan niet meer verleid, misleid of verward worden, alle vrouwelijke en mannelijke, weldadige en verwoestende tegenpolen zijn in hem verenigd. En vanuit die leegte en transparantie heeft Boeddha de eenwording met het universum bereikt. Zijn ego maakte plaats voor mededogen met het aardse verdriet.

Schierbeek citeerde in zijn boek De tuinen van Zen onder anderen de Duitse mysticus Meister Eckhart (1260-ca. 1327). Het is interessant te lezen hoe hij over zijn eigen, westerse godsbeleving in wezen hetzelfde zegt als de boeddhistische wijsgeren: 'De meesters leren, God is een wezen, een intelligent wezen en herkent alle dingen. Ik zeg echter: God is géén wezen, hij is niet intelligent, noch herkent hij dit of dat. Daarom is God leeg van alle dingen ... en daarom is hij alle dingen.'

Chagrijnig

Zo weinig als er in de christelijke schilderkunst gelachen wordt, zo innig tevreden, bijna verleidelijk, houden de boeddhistische goden je hier in de gaten. Er tronen in de tentoonstellingszalen ook wel chagrijnige heersers, die met hun vier, zes armen ongeremd naar het kosmisch kwaad meppen, maar het is steeds weer die summiere en toch overrompelend blije trek om de mond en de ogen, dat even naar buitentreden van een volmaakte, innerlijke harmonie, die menige westerling doet beseffen zonder zinvolle bezinning en zo mechanisch als een bulldozer van dag naar dag voort te denderen.

Het lamaïstische boeddhisme van Tibet - genoemd naar de lama's, de geestelijke leiders - is een complexe religie. Uit Nepal en India hebben zich hindoeïstische invloeden laten gelden. De inheemse geesten van Tibet kwamen, eenmaal onderworpen, in een andere gedaante ook in de boeddhistische hiërarchie terecht. En waren in India, het oorspronkelijke Boeddha-land, vrouwelijke godheden onbekend, in de Tibetaanse kunst, die zo'n vijfhonderd jaar geleden zijn Gouden Eeuw beleefde, belichamen zij in de elegantste poses juist nadrukkelijk de geestelijke wijsheid van de historische Boeddha, die omstreeks 480 voor Christus is overleden.

Op de vele, bont beschilderde thangka's maken niet vrouwen, maar mannen de dienst uit. Goden, peinzend tussen landschappelijke nevels, weten zich omringd door taferelen uit hun tobberige, aardse bestaan. Net als de bijbelse Job is hun weinig ellende bespaard gebleven. Aan andere 'heiligen', zwevend op lotusbladen temidden van bloemen, zeemeerminnen en schapenwolkjes, worden offers gebracht. De mens is in bijzijn van zo'n lama of boddhisattva een lilliputter, nee, een mier, verdwaald onder een hemels gordijn van parels en bladgoud. De mier mag een kannetje thee aandragen, meer niet.

Net als de Indiase miniaturen zijn ook de thangka's met grote precisie en stilering geschilderd. De kloosterlingen kenden de voorschriften en hebben geen dier, geen twijg of oorlel over het hoofd gezien. De derde Dalai Lama van Tibet, Sönam Gyatso, die in de zestiende eeuw de Mongolen wist te bekeren, kijkt vanuit zijn nimbus toe op een compleet geschilderde wereldstad waar het krioelt van gelovigen in huisjes en heiligdommen, genesteld langs bergpaden en in valleien. Net als de Toren van Babel reikt de stad tot in de hemel en het sensuele gezicht van de lama vertelt dat het daarboven goed toeven is. Hij schaamt zich allang niet meer voor de 'geheime biografie' die de schilder hier uit de doeken doet. In elke centimeter zit een symbolische betekenis verstopt, geen draak of parasol kan zich op deze thangka uitsluitend op zijn sierlijkheid laten voorstaan.

Soms krijgt men op die rolschilderingen teveel te verstouwen. Je dwaalt van de ene overbevolkte kosmos naar de volgende samenscholing van nirvana-gangers. Het oog haakt soms vermoeid af, want er is geen 'strip-verhaal' dat houvast biedt. Straks zal de monnik Gawa, na afloop van zijn studie, natuurlijk meteen begrijpen waarom die roetzwarte Ali-baba-achtige gedrochten een stervende vrouw bezoeken. Voor een westerling zijn die satanische beproevingen niet echt angstaanjagend. Hij is meer vertrouwd met het Laatste Oordeel, als de hemelse scheidsrechter massa's doden met een enkel handgebaar genadeloos het hellevuur in stuurt.

Op zo'n moment zijn de enkelvoudige sculpturen een verademing. Ook hier is elke goddelijke verschijning in details weer anders. Ook deze goden hebben de afgelopen eeuwen geen schrammetje opgelopen, want elke pink en teen zit er nog aan. Soms werden ze in grote oplage gegoten, zoals in de achttiende eeuw, toen de Chinese keizer Qianlong op de verjaardagen van zijn moeder, in 1761 en 1771, duizenden bronzen tegelijk liet afgieten van Amitayus, de God van het Lange Leven. Wat mevrouw Qianlong betreft heeft deze godheid zijn naam eer aangedaan.

Hoofdtooi

Recht voor ons zit nu de bronzen leermeester Virupa, met de barokke hoofdtooi van een edelman. Met zijn hand wijst hij sierlijk naar de zon, die hij in zijn baan moet houden. Hij heeft het er maar druk mee, terwijl iets verderop een twaalfde-eeuwse vergulde versie van de bijna naakte Boeddha Shakyamuni allang in een weldadige rust is weggesluimerd.

Voor de geloken ogen van deze Ene blijft niets verborgen. Achterdocht, rotstreken, lafheid en rancune: hij heeft het door, en zijn blik suggereert zelfs dat hij er tot in de eeuwigheid begrip voor kan opbrengen. Zijn lach is minzaam en troostrijk, en hij laat je ook een beetje beseffen dat mensen in eeuwige tijdnood, in eeuwige haast, op jacht naar zoveel, geen schijn van kans maken op onthechting. Maar, vooralsnog niet getreurd; Boeddha heeft de tijd, hij wacht wel tot Het Inzicht opdoemt.

Wat velen zal aanspreken, en dat besefte ook de Kunsthalle van Bonn, is de seksuele vereniging - 'yab-yum' of 'vader-moeder' geheten -, waar sommige bodhisattva's intens van genieten. Zo en niet anders overwinnen ze hun innerlijke dualiteit. Hun versmelten is letterlijk; het linker been van de vrouwelijke godheid vormt het tegenoverliggende, rechter been van haar partner. Extatisch vrijend - zelfs hun gezichten zijn bijna één geworden - geven de goden van wijsheid en mededogen zich aan elkaar over, hun lijven gestold in een ruige tango.

Het mooiste van de 240 stukken, elk tot in de finesses beschreven in de overvloedig geïllustreerde catalogus, is zo'n zeventien centimeter hoog. De gelukkige bezitter is John Rockefeller III in New York. Het beeldje heet de Witte Tara en haar massieve zilveren lijfje is uitzinnig getooid met gouden juwelen en blauwe, groene en rode steentjes, kleiner dan een luciferkop. Een zeventiende-eeuwse goudsmid wilde in zijn chirurgische versierkunst de toppen van zijn kunnen overstijgen.

De beeldschone Tara belooft vrede, gezondheid, welstand, een lang leven, en nog veel meer. En ze is te allen tijde ook nog ontvankelijk voor elke vorm van verdriet. In Bonn is zij de rijkste en liefste van alle goden en godinnen. Maar al dat goud is aardse flauwekul, daar maakt ze al eeuwen geen gedachte meer aan vuil. Het is letterlijk op haar lijf gelegd en als badwater kan ze het weer van zich af laten glijden. Want ze lacht de lach van de ongeborene. Een lach die van verre komt en voor haar westerse bewonderaars onbereikbaar is.

    • Marianne Vermeijden