Slaapgrens

Bzzlletin 236-237, Het Symbolisme. Bzztôh, 120 blz. ƒ 15 Literatuur 1996-2. AUP, 65 blz.ƒ 13,50

Onder de tien literaire tijdschriften die het geluk hebben zich de komende drie jaar verzekerd te weten van subsidie zijn er twee die een zogenaamde 'literair-educatieve' functie hebben maar in feite geen literaire tijdschriften mogen heten. Dat zijn Bzzlletin en Literatuur, respectievelijk bedoeld voor grofweg middelbare scholieren en academici. Over Bzzlletin is de beoordelingscommissie van het Produktiefonds het meest enthousiast: 'De positieve waardering voor Bzzlletin lijkt zich te stabiliseren. Door zelf opdrachten uit te zetten krijgt Bzzlletin een samenhang die goed is. Het documentaire, essayistische karakter van het tijdschrift geeft aan de door de redactie gekozen onderwerpen een zekere breedte die stimulerend kan werken. Daarnaast heeft het tijdschrift door zijn volledigheid een educatieve functie.'

Aan de aanpak van Bzzlletin lijkt me niets veranderd te zijn: op verzoek geschreven essays over steeds één onderwerp dat van allerlei kanten wordt belicht, zodat nuttige, bewaarbare overzichten ontstaan. Speelse varianten, onvoorspelbare benaderingen of originele ideeën hoef je bij Bzzlletin niet te verwachten. Bzzlletin is nooit actueel, in wezen zouden de afleveringen evengoed als boekjes met secundaire literatuur kunnen verschijnen. Gek genoeg kapittelt de commissie van het Produktiefonds in haar toelichting juist die bladen die met themanummers 'als tijdschrift vermomde boekuitgaven' presenteren. Bzzlletin maakt acht als tijdschrift - maar niet literair want er staat geen oorspronkelijk werk in - vermomde boekuitgaven per jaar en krijgt daarvoor alle lof toegezwaaid.

Wel kan gezegd worden dat Bzzlletin de laatste tijd beter let op schrijvers die spraakmakend of uitzonderlijk zijn in plaats van op coryfeeën over wie al zoveel geschreven is. Dat leverde themanummers op over bijvoorbeeld Charlotte Mutsaers, A.F.Th. van der Heijden en Belcampo, en één over schaken in de literatuur. Het laatste nummer is gewijd aan het Symbolisme. Zelfs de commissie van het Produktiefonds zal bij een dergelijk breed en invloedrijk onderwerp geen 'volledigheid' verwachten. Volgens de inleiding is het Symbolisme en vogue, gezien recente vertalingen van Baudelaire en Verlaine, en een reeksje proefschriften over deze stroming. Een inleidend overzichtsartikel van iemand als Sem Dresden over het Symbolisme ontbreekt, wat gezien de wijdvertaktheid van het thema jammer is en de 'educatieve functie' niet ten goede komt. Maar: een leuk nummer, dat door alle onvermijdelijke omissies best een vervolg mag krijgen. En dan met een muziekcassette erbij?

Literatuur moest eens themanummers gaan maken. De afgelopen jaargang was behalve aan de saaie kant ook erg versnipperd, geen twee artikelen hadden iets met elkaar te maken. Ongericht en toevallig lijkt het beleid de laatste tijd. Ook de subsidiecommissie van het Produktiefonds is ontevreden over Literatuur, men noemt het een nuttig en 'subsidiabel' tijdschrift maar moppert over willekeur en wisselende kwaliteit. Als tip geeft de commissie dat de wel deugende afdeling 'Recensies' groter gezet zou kunnen worden en voorzien van illustraties - maar daar wordt Literatuur feitelijk natuurlijk niks beter van. Financieel misschien, maar kwalitatief niet. Met themanummers zou het ontbeerde verband aangebracht kunnen worden en bovendien meer lezers tot aankoop worden verleid.

Drie vaste rubrieken met miniseries - nu 'Het literaire bedrijf', 'Boek en film' en 'De buitenstaander' - moesten Literatuur wat vlotter, journalistieker maken en dat is ook gelukt. Maar ook toegankelijker? De afzonderlijke beschouwingen zijn ieder op zich best interessant, maar te weinig wordt de slaapgrens van de lezer in de gaten gehouden.

In het laatstverschenen nummer onderzoekt Wiel Kusters de door hooggebergte geïnspireerde poëzie in Nederland - toch een origineel onderwerp. Bergdichters bij ons zijn Tom van Deel - van wie hij helaas alleen een ironisch-kneuterig gedicht kon gebruiken in zijn betoog, A. den Dolaard, Marsman en Kouwenaar. Dat lijkt me rijkelijk weinig, vooral omdat hij van ieder maar één gedicht doorneemt. Er zou wel een heel nummer met Nederlandse bergliteratuur gevuld kunnen worden.

Redacteur W. van den Berg kan heel boeiend schrijven over 'zijn' negentiende eeuw, hij doet het te weinig in Literatuur. In 'Een royale kijk op Holland' bekijkt hij een briefroman uit 1812 over Holland en Frankrijk die door de broer van Napoleon geschreven blijkt te zijn. Aangetast door een geslachtsziekte schreef de voormalige Roi de Hollande bijna 700 bladzijden vol. 'De rechterhand is half verlamd. (-) Om te schrijven moet de pen met een touwtje aan de vingers worden vastgemaakt en de hand eerst in een handschoen worden gestopt.' De ex-koning gaf in zijn briefroman een op het komische af geïdealiseerd beeld van Holland. 'Wie op zoek is naar het Paradijs moet niet in Parijs zijn, maar zich in de Betuwe vestigen.'

De twee andere grotere artikelen in dit nummer gaan over de vriendschap en geestverwantschap tussen Berlage en Henriëtte Roland Holst (nodeloos droog geschreven), en over de Haagse roman Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan van Couperus. Haags-Indisch is het boek om preciezer te zijn, maar volgens de actieve docente Nederlands in Napels Jeannette E. Koch mag het gerust een Haags-Indische Italiëroman genoemd worden. Wie ervoor gaat zitten krijgt een keurig onderbouwd essay voorgeschoteld dat beslist nuttig is en geenszins truttig.

Maar Literatuur, in ons en nu ook uw belang: spring nu toch eens een beetje uit de band!

    • Margot Engelen