Op de rommelzolder

Een boek, een stuk gereedschap, een voorwerpje dat men na lange tijd opeens nodig heeft, blijkt niet op de plaats te liggen waar men het een paar jaar geleden had opgeborgen. Met deze negatieve ontdekking begint een marathon van het zoeken.

Die eindigt op zolder. Daar ligt van alles en nog wat waarvan men het bestaan vergeten was; een goudmijn van verrassingen. Het zoeken naar één verdwenen ding verandert in het ontdekken van een heel verleden.

Vorige week is George Orwell in opspraak gekomen. Kort voor zijn dood in 1949 heeft hij aan een Britse geheime dienst (geen land heeft zoveel geheime diensten als het Verenigd Koninkrijk) een opschrijfboekje met een geheime lijst gegeven: de namen van schrijvers en journalisten die door hem als meelopers van Moskou werden beschouwd en die dus een gevaar voor de vrije wereld waren. Het is door een gepensioneerde geheime agente, Celia Kirwan, aan The Guardian verteld. Waarom nu? Dat staat er niet bij. Het slot van iedere geheime dienstbaarheid is dat er iemand wordt bijgelapt - levend of dood.

Kirwan? Misschien zou die naam ergens te vinden zijn. Er zijn boeken die we als de zolders van de Koude Oorlog kunnen beschouwen. Ik ging zoeken, in David Caute's The Fellow-Travellers, Intellectual Friends of Communism, een Almanac de Gotha van de meeloperij. Geen Kirwan maar wel het ene verhaal na het andere, over de vredescongressen van Stockholm, communistische jeugdfestivals, de executie van de Rosenbergs, Hongarije (binnenkort veertig jaar geleden!), een geweldige zolder vol bestofte geschiedenis. De hele ochtend bleef ik rommelen.

Ja, dat was niet netjes van Orwell om zo'n lijstje met namen te maken. Je ziet de schrijver op het notitieblaadje kriebelen, op zijn pen bijten, nadenken. Verdient die het wel om erop te komen? En moet die er niet bij? Hoe groot is het gevaar dat hij voor de vrije wereld betekent? Wat een gedoe moet dat toen geweest zijn, denk je nu. Voor je het weet zit je een halve eeuw na dato een éénmanstribunaal op te richten.

In de International Herald Tribune van 18 juli neemt William Pfaff het voor hem op: Orwell heeft een lijstje gemaakt van mensen die hij niet geschikt vond om in overheidsdienst propaganda voor het Westen te maken. Hij had niet de bedoeling, hun reputatie afbreuk te doen. 'Toch beweren opmerkelijk veel mensen dat hij de kant waaraan hij stond had 'verraden'.' Daaruit zou men dan moeten besluiten dat Stalin en het Britse socialisme tot dezelfde kant hoorden.' Onhistorisch geklets vindt Pfaff het.

In februari 1948 hadden de communisten hun putsch in Praag uitgevoerd, in april was Stalin zijn blokkade van Berlijn begonnen waarop de geallieerden hadden geantwoord met de luchtbrug, de Russen hadden hun eerste atoombom laten ontploffen, in China was Tjiang Kai-sjek verslagen. In Nederland had het voorzichtigste deel van de burgerij alweer een vluchtkoffertje onder de trap staan. (Waarom onder de trap? Omdat het daar het veiligst was als er een bom viel). Orwell had longtuberculose, woonde op het Schotse eiland Jura in het afgelegen landhuis Barnhill - geen oord om van op te vrolijken. Daar heeft hij, het valt niet te ontkennen, aan zijn vergeefse lijstje zitten prutsen.

Later is er tussen de geheime diensten en de literatuur nog veel meer gebeurd, en nog veel later is bekend geworden dat de 'toonaangevende' tijdschriften voor de intelligentsia van het Westen, Encounter, Der Monat en Preuves door de CIA werden gesubsidieerd. Jammer genoeg is daar nooit een film van gemaakt: hoe de redacties in het geheim hun dollars incasseerden.

Dankzij Orwells lijstje was ik aan het rommmelen op de zolder van de Koude Oorlog. Ik zat op de grond, de zon scheen flauwtjes door het bestofte raampje en gedempt klonk het geraas van het postmoderne verkeer. Hoe oud moet je zijn om onmiddellijk en precies te weten wie de Rosenbergs waren en waarom een vluchtkoffertje onder de trap moet staan, of zelfs, om te weten wat een vluchtkoffertje überhaupt is? Hoe oud moet je zijn om te begrijpen waarom er toen lijstjes werden gemaakt?

Kinderen die er aanleg voor hebben beginnen ernstig na te denken over de toestand in de wereld als ze ongeveer vijftien zijn. De laatste lijstjes zullen - ik sla er een slag in - omstreeks 1987 zijn gemaakt. Het heeft daarna nog een jaar of twee, drie geduurd voor de Koude Oorlog defnititief was afgelopen, maar de fut was er uit. Dit betekent dat degenen die nu een jaar of 25 zijn hun bewuste opgroeien in een volstrekt andere sfeer, omgeving, logica hebben beleefd. Hun rommelzolder is nog in aanbouw. Het is een manier om een generatie te herkennen: aan al het niet gezochte waarin ze zich verliezen terwijl ze het gezochte niet kunnen vinden.