Oezbekistan telefoneert dankzij Brian uit Georgia

Toen de voormalige Sovjet-republiek Oezbekistan begin jaren negentig haar grenzen openstelde voor westerse ondernemingen lieten reuzen als Coca-Cola, McDonald's en Philip Morris het land links liggen. Maar Brian L. Bowen en zijn vijf partners - een tandarts, een oogarts, een verzekeringsagent, een ingenieur en een effectenmakelaar - uit Perry in de Amerikaanse staat Georgia (bevolking 10.000 zielen) zetten een draadloos telefoonnet op in een land waarvan weinig Amerikanen zelfs maar wisten dat het bestond.

Hoe een stel ondernemende Amerikaanse dorpsbewoners dit stoute stukje uithaalde vormt een van de uitzonderlijkste geschiedenissen uit het zakenleven in de vroegere Sovjet-Unie. Ze hebben het hem gelapt zonder financiering door westerse regeringen, zonder steun vanuit het bedrijfsleven en zonder de prestigieuze adviseurs die zeggen dat je niet zonder kunt. “Hoe hebben ze het voor elkaar gekregen?” zegt een stomverbaasde Ronald M. Freeman, eerste vice-president bij de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling, die al veel duurdere - maar minder geslaagde - projecten dan het Oezbeekse draadloze telefoonnet heeft gefinancierd.

De geheime formule van de Amerikanen? Vindingrijkheid, volharding - en stom geluk. Want hun de bedrijfsstrategie - als we het zo noemen mogen - was bijna belachelijk. Terwijl machtige managers maanden besteden aan het ontwikkelen van minutieus gedetailleerde ondernemingsblauwdrukken gingen de partners uit Perry gewoon op zoek naar een grote stad met een slecht telefoonnet. Moskou, hun eerste keus, ketste af. “Toen dachten we: laten we ergens heen gaan waar niemand anders heen zou gaan”, weet Bowen zich te herinneren.

Dat was Tasjkent. De Oezbeekse hoofdstad, in 1966 haast geheel met de grond gelijk gemaakt door een aardbeving, had een storingrijk telefoonnet met bovengrondse draden dat dateerde uit de jaren '20. Bowens draadloze dienst, een joint venture samen met de Oezbeekse regering die nu in zijn vijfde jaar is, maakte voor het eerst winst in 1993. Over 1996 verwacht men maar liefst 50 miljoen dollar omzet te halen, driemaal het cijfer van vorig jaar. Het bedrijf heeft 7.000 abonnees en 240 werknemers en is volgens sommige schattingen wellicht 100 miljoen dollar waard - een rendement van 40 maal de oorspronkelijke investering. Bovendien staan de machtigen uit de telecommunicatiewereld, zoals Motorola, het Noorse TeleNor en het Canadese Northern Telecom, bij Bowen op de stoep voor leveringscontracten, aansluiting op zijn netwerk en een aandeel in zijn onderneming.

Het succes van het ondernemende zestal is niet moeilijk te verklaren, zegt Anthony W. Sariti, die op de Amerikaanse ambassade in Tasjkent werkt. Hij wijst naar de telefoon bij hem aan de muur. “Hebt u hier wel eens geprobeerd te telefoneren? Aan dit ding heb je niets.” Zonder draadloze telefonie, zegt hij, “zou dit land op de fles gaan.”

Bowen (37) en zijn compagnons staan nog steeds versteld van wat ze hebben aangericht. “'t Is 'n wonder, en dat is het”, zegt de roodharige ex-plattelander, wiens eerdere internationale ervaring beperkt was gebleven tot enkele vakanties in Europa en Midden-Amerika. “Ik heb zelfs nooit een vreemde taal geleerd.”

Niemand weet precies hoeveel kleine ondernemers al iets hebben geprobeerd op de markten in de vroegere Sovjet-Unie. Bij gebrek aan geloofwaardigheid en de steun en naamsbekendheid van een groot bedrijf verlaten ze zich vaak op bravoure en een houding van 'niets is onmogelijk'. “Een goede zaak opzetten in een ontwikkelingsland in de Derde Wereld - daar bestaat geen opleiding voor”, aldus Bowen.

De meeste van zulke eenmanszaakjes zoeken het dicht bij huis: Oostenrijkers en Duitsers in Midden-Europa, Zweden en Noren langs de Oostzeekust, en Turken en Iraniërs in Midden-Azië. “De entrepreneur is sterk gebonden aan zijn kennis en de nabijheid van zijn werkgebied”, stelt Michael Muegge, analist bij het consulentschap Central Europe Trust.

Uiteraard zijn er in Oezbekistan maar weinig Amerikanen. Bowen wist niet eens waar het lag, in 1989, toen hij en zijn oom, tandarts Anthony DeLoach, in diens kantoor bijeen waren met enkele vrienden en zakenrelaties: verzekeringsagent Larry McNeal, oogarts Dudley Christie, ingenieur Richard L. Vega en effectenmakelaar Eric Jansson. Het gesprek kwam op lucratieve ideeën en de miljoenen die de beide medici in de jaren '80 hadden verdiend door met succes in te schrijven op vergunningen voor draadloze telefonie in Athens in Georgia en Greenwood in South Carolina en hun vergunning vervolgens van de hand te doen aan grote telefoonmaatschappijen.

Niemand van de aanwezigen had ooit internationale zaken gedaan, maar McNeal was zojuist terug van een rondreis door de Sovjet-Unie, waar een zakenrelatie hem de projecten had getoond die hij op stapel had staan, van vastgoed tot handelsmaatschappijen. “Het was behoorlijk eng, zo voor het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de val van de Berlijnse muur”, vertelt McNeal, “maar hoe langer ik er was, hoe ontspannener ik tegen de zakelijke mogelijkheden ging aankijken.”

In Moskou was McNeal de belabberde telefoonvoorziening opgevallen. De groep redeneerde dat draadloze telefoons de oplossing waren - en bovendien een goede investering, gezien de ervaringen van Christie en DeLoach.

Larry McNeal nam weer contact op met zijn relatie in Moskou, die een ontmoeting regelde tussen de groep - inmiddels handelend onder de klinkende naam International Communication Group (ICG) - met het Moskouse ministerie van Communicatie. De Amerikanen arriveerden in oktober 1990 in Moskou. De bijeenkomst werd een flop. Bowen: “We wisten niet waar we mee bezig waren, we wisten niet hoe je met Russen omgaat. Wat de minister zei kwam in feite neer op: 'Zeer bedankt, maar nou opgehoepeld.' ”

Wijzer geworden maar ongeslagen, hergroepeerden de zes zich in Perry. De Russen hadden de deur op een kier laten staan: ze hadden aangeraden andere Sovjet-republieken te bellen. Al turend op de kaart ontdekte Brian Bowen dat Tasjkent, de hoofdstad van Oezbekistan, werd bewoond door 2,2 miljoen van de 22 miljoen inwoners en daarmee in grootte de vierde stad van de Sovjet-Unie was, na Moskou, St.-Petersburg (toen nog Leningrad) en Kiev.

Net als andere ex-Sovjet-republieken ging Oezbekistan gebukt onder de controle vanuit Moskou. Wanneer Tasjkent als een der eerste steden draadloze telefonie zou krijgen, zou dat goed zijn voor het imago. De Amerikanen waren welkom. “Zij waren de eersten die geloof en vertrouwen hadden in onze toekomst, vooral wat telecommunicatie betreft”, aldus Tachir G. Rachimov, de Oezbeekse minister van Communicatie. De Amerikanen baanden het pad: ze ontvingen de voorganger van minister Rachimov in de Verenigde Staten, stelden hem voor aan functionarissen van Northern Telecom en toonden hem vol trots het door DeLoach en Christie opgezette draadloze telefoonnet in South Carolina.

In Atlanta groeide de geloofwaardigheid van ICG verder toen de voormalige Amerikaanse president Jimmy Carter, die pinda's teelt op zestig kilometer van Bowens woonplaats, de tijd nam om een praatje met de Oezbeken te maken. “Op dat moment wilden veel bedrijven, veel gigantische bedrijven, niet met ons samenwerken”, herinnert minister Rachimov zich. (De regering in Washington moedigde het investeren in Oezbekistan destijds niet aan, wegens berichten over schending van de mensenrechten. Inmiddels heeft ze haar standpunt versoepeld.)

In augustus 1991 vormde ICG met de Sovjet-republiek Oezbekistan een joint venture, waarvan ICG voor 45 procent en de Oezbeken voor 55 procent eigenaar waren. Dr. Christie werd benoemd tot bestuursvoorzitter en Brian Bowen werd in Oezbekistan gedetacheerd. Verder zegden de Amerikanen toe de aanleg te financieren van het net, dat de Oezbeekse naam Oezdoenrobita ('Poort naar de wereld') heeft gekregen.

De overeenkomst werd op 19 augustus 1991 ondertekend. Enkele dagen later verklaarde Oezbekistan zich onafhankelijk, waardoor de wettigheid van de onderneming twijfelachtig werd. Bowen en zijn groep overreedden de Oezbeken inderhaast de onderneming opnieuw te laten registreren in Tasjkent in plaats van Moskou.

Nog een probleem was dat Oezdoenrobita geen werkkapitaal had. De Amerikanen hadden geen geld bijeengebracht om apparatuur te kopen. Tot op dat ogenblik had ICG een half miljoen dollar uitgegeven aan reiskosten, vertalingen en documenten. Om aan contanten te komen verkocht ICG meer dan de helft van haar aandelen aan een groep Pakistanen. In ruil ontvingen de Amerikanen twee miljoen dollar en een belang in een Pakistaans munttelefoonbedrijf.

Ook de Oezbeken wisten geld in te brengen. Algemeen directeur Joeri V. Snezjkov verraste de Amerikanen met een ongebruikelijk vertoon van initiatief door kennissen bij Oezbek Air, de luchtvaartmaatschappij van het land, ertoe over te halen om voor 160.000 dollar aan telefoons te kopen. Daarmee had Oezdoenrobita een kantoor, een auto en twee Oezbeekse personeelsleden.

Met meer dan twee miljoen dollar aan contanten begon Oezdoenrobita met de aanleg van het net. In de herfst van 1992 werd de eerste zendmast neergezet boven op de televisietoren van Tasjkent. Tasjkent werd de derde Sovjet-stad met een mobiel telefoonnet.

Inmiddels heeft Oezdoenrobita met 10 miljoen dollar aan leningen en apparatuur van Northern Telecom de dienst uitgebreid tot acht Oezbeekse steden en er liggen plannen voor de vorming van een landelijk net. Ook de Oezbeekse regering heeft meegeholpen door de joint venture toe te staan een twaalftal van haar beste ingenieurs en software-ontwikkelaars in dienst te nemen. En ook haar beste overheidsritselaars.

Maar niet alles ging van een leien dakje. Snezjkov, een jeugdvriend van de minister, kwam aanvankelijk in aanvaring met Bowen. Op de eerste aandeelhoudersvergadering kwamen zij elk met totaal verschillende winstcijfers. Bowen: “Ik stond op het punt om hem de laan uit te sturen.” Toen besefte hij hoe radicaal Oezbeeks boekhouden verschilde van boekhouden in Perry, Georgia. “Ik heb geen ervaring in het omgaan met de KGB, de mafia, de familieconnecties binnen de bureaucratie hier”, aldus Bowen. Zo was het bij voorbeeld Snezjkov die hem ertoe overhaalde gratis telefoons te verstrekken aan de Oezbeekse president, Islam Karimov, en de ministers. Het gevolg was dat iedereen bij de overheid er een wilde hebben.

En nu wil iedereen er een. In een non-descript bakstenen gebouw zonder verdiepingen koopt Natasja Artitsjeva voor 1.100 dollar een Nokia-telefoon van Oezdoenrobita, voor een vriendin. Zelf heeft ze er al twee maanden een, en haar maandelijkse rekening beloopt 200 à 300 dollar. De telefoons zijn duur, maar haar importbedrijf zou niet zonder kunnen. “Het communicatiesysteem hier is niet erg goed”, zegt ze, “dus of ik wil of niet, ik moet met deze telefoon bellen, ook thuis.” Gezien de enorme vraag in Tasjkent weet Bowen niet hoe snel hij moet uitbreiden. Onlangs vloog hij op een ochtend met Oezbek Air naar Boechara voor een bezoek aan een pas geopend kantoor van Oezdoenrobita. Op het vliegveld sleutelden vier mecaniciens eerst nog wat aan een wiel en daar raasde het toestel de lucht in. “Dat de Heer ons mag bijstaan en behoeden”, zei Brian Bowen. “Maar er zijn tenminste veiligheidsriemen.”

In Boechara kwamen het voltallige personeel, de vice-burgemeester en de plaatselijke vertegenwoordiger van het departement van Communicatie hem afhalen. “Ze zien hier niet vaak Amerikanen”, legde de functionaris van het departement, Israfil Tsjakidze, uit. “We hebben in films wel eens mensen met rood haar gezien”, vertelde een tolk, “maar we hadden nooit gedacht er hier nog eens één te zien.”

De Oezbeken prijzen Bowens aanpassingsvermogen. Hij heeft paardenvlees leren eten, met wodka leren toasten en plov leren waarderen - het nationale pilav-gerecht op basis van rijst en schapenvlees. Meer moeite kost hem de gang naar het kantoor van Oezdoenrobita op de vierde etage. De lift gebruikt hij niet meer sinds die was blijven steken en vervolgens drie etages diep viel. Een monteur kreeg de deur weer open met een klerenhanger.

Wat Bowen op het ogenblik zorgen baart is de omwisseling van de plaatselijke munt voor dollars - een noodzaak, wil hij apparatuur van buiten Oezbekistan kunnen kopen. De regering wil niet dat hiervoor deviezenreserves worden gebruikt, maar alleen harde valuta's die door export worden gegenereerd. Gelukkig staat Oezdoenrobita op een lijst van twaalf ondernemingen die voorrang krijgen bij het wisselen van geld.

Ook zit Bowen in over de winst van dit jaar. De zes uit Perry hebben tot dusver alles weer in het bedrijf gepompt, maar nu willen ze graag dividend zien. Dat kan het best gebeuren door Oezdoenrobita deviezen te laten opsparen die het ontvangt door betalingen via credit cards en op buitenlandse rekeningen, en de onderneming daaruit dividend te laten uitkeren. Maar, zo zegt Bowen, “Bij alles wat nieuw is, moet je je afvragen of het wel doorgaat.”

Intussen overweegt de regering om nóg een licentie voor draadloze telefoons te gunnen, aan een Maleisische maatschappij. Dat zou een inbreuk op het contract met Oezdoenrobita kunnen zijn, maar Bowen acht het niet verstandig op een conflict met de regering aan te sturen. “Oezdoenrobita is nu synoniem met draadloze telefoons in Oezbekistan. Uiteindelijk hoop ik deze spruit naar de beurs te brengen. Ik wil wat geld verdienen zodat ik naar Georgia terug kan, in mijn tuin zitten en naar het strand gaan.”

    • Janet Guyon