Illegale kunsthandel heeft al te lang vrij spel

Nederland ondertekent het internationale verdrag (Unidroit) dat de illegale handel in kunst en antiek moet tegengaan. Daarop is kritiek, met name van kunst- en antiekhandelaren. Volgens Jos van Beurden snijden hun argumenten geen hout.

De illegale kunsthandel komt qua omvang na die in verdovende middelen en wapens. Volgens Interpol gaan er jaarlijks miljarden dollars in om. De bestrijding ervan verloopt uiterst moeizaam.

De laatste jaren klagen vooral veel ontwikkelingslanden over de verdwijning van grote delen van hun cultureel erfgoed. In dat opzicht is de illegale kunsthandel een typisch Noord-Zuid probleem. Voor iemand in Zuidoost-Azië of West-Afrika heeft het alleen zin om een tempel of graf te plunderen, omdat een collectioneur in Amsterdam, Tokio of New York zijn object voor grof geld wil afnemen. Onderweg hebben een lokale opkoper, een antiquair in de Derde Wereld en een collega in een Westerse hoofdstad er flink aan verdiend.

Het besluit van het kabinet-Kok eind vorige maand om de Unidroit-conventie inzake de bescherming van cultuurgoederen te tekenen, is vooral bedoeld om de handel in kunst, antiek en etnografica, die deel uitmaken van het cultureel erfgoed van een land, beter te reguleren.

De conventie maakt het makkelijker om gestolen of illegaal uitgevoerde cultuurgoederen terug te vorderen. Degene die ze verwerft, moet desgevraagd bewijzen dat hij dat te goeder trouw deed.

De conventie heeft overigens uitsluitend betrekking op objecten, die ná de ratificatie van het verdrag worden gestolen of illegaal worden uitgevoerd. De uit Griekenland afkomstige Elgin Marbles of de Benin-schatten uit Afrika, die nu in Britse musea verblijven, en de waardevolle stukken uit Indonesië, die Nederlandse musea hebben, vallen er niet onder. De complexe discussie over de vraag of voormalige kolonisatoren objecten behoren terug te geven, valt dus buiten het debat over de Unidroit-conventie.

Dat de Nederlandse handtekening onder de conventie veel stof zou doen opwaaien bij de kunst- en antiekhandel (zie NRC HANDELSBLAD, 22 juni en 4 juli) viel te verwachten. Daarbij keren enkele argumenten steeds terug. Sommige zijn ronduit zwak.

Om maar te beginnen met de recente inbeslagnames in de Rotterdamse haven van antiek en archeologische voorwerpen, die deel uitmaken van het cultureel erfgoed van Cambodja, Thailand en Ghana. Volgens critici van de Unidroit-conventie bezorgen dergelijke acties Nederland een slechte naam. Maar dat klopt niet. Nederland wordt juist geprezen voor die vondsten. Eindelijk een land dat iets tegen kunstroof onderneemt, verzuchtten zowel de ambassadeur van Ghana als Thailand. Deze week haalde de ambassadeur van Cambodja twee hemelnimfen uit de Angkor-Watt regio in Rotterdam op, die eind vorig jaar door de douane waren onderschept.

Ook de opvatting dat met de conventie alleen het einde van de exportlijn wordt aangepakt kan ik niet delen. Al enkele jaren bespreken ministers van cultuur en de hoofden van politie en douane in menig ontwikkelingsland mogelijkheden om de cultural drain tegen te gaan. Meestal is het nog maar een begin en moeten genoemde ministers en ambtenaren ook vechten tegen diefstal van cultuurobjecten door hun landgenoten.

In sommige landen werken bestuurders, douaniers en agenten nauwer samen dan in Nederland. In Afrika wordt er per regio over vergaderd. In Thailand worden antiquairs, die genoemde hemelnimfen en Boeddha-koppen uit het Ayutthaya gebied aan een Nederlandse handelaar hadden geleverd, juridisch vervolgd, terwijl de betrokken Nederlander wil doen voorkomen dat hij hun beelden te goeder trouw invoerde. Het is ongeloofwaardig dat iemand die al meer dan een decennium in kunst uit Zuidoost-Azië handelt en tegenover de douane beweert zowel dat land als zijn métier goed te kennen, niet zou weten hoe het met de exportvergunningen is gesteld. Deze importeur, naar eigen zeggen lid van een vooraanstaande Nederlandse organisatie van handelaren in Zuidoost-Aziatische kunst, handelde malafide, toen hij de beelden liet inschepen. Het is alleen moeilijk het juridisch bewijs van zijn kwade trouw te leveren. Als de Unidroit-conventie eenmaal is getekend, ligt de bewijslast bij hem en wordt dat makkelijker.

Verder klagen critici dat de conventie musea belemmert in hun aankoopbeleid, omdat deze instellingen voortaan ontzettend op hun tellen zouden moeten passen. De meeste museumdirecteuren en conservatoren handelen echter al in de geest van de nieuwe conventie. En deze kritiek verliest nog meer aan gewicht als men bedenkt dat de musea vrijwel geen geld meer hebben voor het doen van aankopen. Het grote geld zit bij de particuliere verzamelaars. Die zijn interessant voor de handel. Natuurlijk wordt het voor handelaren en verzamelaars ingewikkelder als zij moeten bewijzen dat zij een voorwerp te goeder trouw hebben verworven. Dat zal even wennen zijn en inderdaad enige administratieve rompslomp met zich meebrengen, maar een handelaar in stamboekvee of rashonden vindt dat al jaren normaal.

En dan de ontwikkelingslanden. De meeste landen in de Derde Wereld hebben wetten die de export van cultuurgoederen aan banden legt. Veel handelaren klagen over die wetten, omdat de meeste bepalen dat alle voorwerpen van een bepaalde ouderdom (25, 50 of 100 jaar) tot het nationaal erfgoed van het betreffende land behoren. Dat is inderdaad een probleem, maar wij vinden het ook normaal als onze wettten worden gerespecteerd door buitenlanders.

De definitie van 'cultuurgoederen' is inderdaad breed, er vallen te veel objecten onder, dat gaf bijvoorbeeld ook de ambassadeur van Ghana volmondig toe, toen hij eind 1994 enkele illegaal geëxporteerde voorwerpen kwam terughalen: “Wij zouden graag net als Nederland een beperkte lijst hebben met cultuurgoederen. Maar wij missen de expertise om zo'n lijst op te stellen.” Waarom nemen bonafide handelaren of gepensioneerde museumconservatoren niet het initiatief om ontwikkelingslanden te helpen bij het opstellen van dergelijke lijsten. Nederland zendt toch ook gepensioneerde managers uit.

Niemand kan ontkennen dat de illegale handel in kunst zo oud is als de weg naar Rome. Toch is het goed dat het kabinet de conventie heeft ondertekend. Net zoals het goed is, dat de Nederlandse douane de invoer van antiek en etnografica scherper in de gaten houdt. Nederland mag in deze kwestie best het voortouw nemen. Dat kan de discussie bevorderen in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Duitsland, zolang twijfelachtig is of deze landen dezelfde stap zullen zetten.

Dat zich als gevolg van een Nederlandse voortrekkersrol wellicht een deel van de nu voor Nederland bestemde handel naar andere landen zou uitwijken, is koffiedik kijken en zou overigens bonafide handelaren niet mogen verontrusten. Hoe sneller Nederland de conventie ratificeert, des te beter. Dat voorkomt dat malafide handelaren nu nog even hun slag slaan.

Eerder deze maand werd een Nederlandse handelaar, die zich specialiseert in antiek en etnografica uit Ghana, voor de derde keer betrapt op invoer van illegaal geëxporteerde voorwerpen, zonder dat de douane duidelijke richtlijnen had voor de wijze waarop zij hem moesten aanpakken. Met de ratificatie van de Unidroit-conventie komt daaraan een einde.

    • Jos van Beurden