Het vuurwerk dat ik ben

“Jongens” zei de jubilaris tot de andere mannen waaruit ik besta, “we hebben iets te vieren. Het liefst had ik jullie een ontbijt aangeboden met veel champagne, maar dat is te omslachtig. Een borrel met een haring? Om vijf uur?”

Een van ons zei: “Die toespelingen hangen me de keel uit. Dat champagne-ontbijt ken je uit de boeken. Gerhart Hauptmann hield ervan, nietwaar, je weet het van Thomas Mann. Altijd die literatuur.”

“Dat is het nu juist” zei de jubilaris. “we vieren deze maand dat we vijftig jaar geleden, na lang in de voortuin te hebben gedrenteld, het paleis van de literatuur zijn binnengestapt. Vijftig jaar geleden verscheen ons eerste boek, een dichtbundel die Het vuurwerk heette.”

De dichter onder ons zei: “De experimentelen hebben het op een tentoonstelling in een museum aan een schandmuur genageld, tussen andere boekjes die zij minachtten. Er is geen genie in ons.”

“Keurig werk” zei de jubilaris, “braaf gedaan in de oorlogsjaren. Een enkel vers vind ik nog wel eens terug in een bloemlezing. Je hebt je daarna dapper ontwikkeld.”

“Ik weet het niet” zei de dichter. “Ik vind het jammer dat ik ben opgehouden.”

“Ach wat” zei de jubilaris. “Je hebt je ervaring aan ons allemaal doorgegeven. De romancier onder ons is je nog steeds dankbaar.”

“In zekere zin” zei deze. “Voor zover het de stijl betreft misschien. Hij heeft me geleerd op mijn woorden te passen of het kleuters zijn. Dat lyrische van hem, nee. Ik ben nooit in staat geweest tot een grandioze epische conceptie. De gedichten van die jongens waren soms verhalen en die verhalen van mij zijn soms gedichten.”

“We stapten het paleis van de literatuur binnen” zei de jubilaris, “en zijn daar nu al een halve eeuw werkzaam. Hoe is het bevallen?”

De journalist/recensent onder ons zei: “Je vindt er je weg wel als je niet te eerzuchtig bent. Je vindt er wel een plaats als het niet een troon hoeft te zijn. Jullie doen deftig en ik moest voor jullie het brood verdienen. Ik deed het met liefde en animo, en een journalist leert mensen kennen. Ik heb onze vriend en romancier altijd eerlijk op de hoogte gehouden. Die dichter had er niets aan. Ik heb zijn loopbaan geknakt, vrees ik.”

“Loopbaan!” zei de dichter. “Afschuwelijk begrip. We zijn allen tezamen een voorbeeldige spitsburger maar een loopbaan hebben we nooit geambieerd.”

De jubilaris zei: “Hoewel we toch als dichter, romancier, essayist, journalist met toewijding in menige jury en commissie hebben gezeten, aan menig forum hebben deelgenomen, vroeger.”

“Macht heeft ons nooit gelokt” zei de essayist onder ons, “daar waren we te verstandig voor.”

“Te lui! Te dom!” zei de romancier. “Wij wilden niet weten dat mensen macht over ons hadden en wij macht over mensen. Daarom heb ik het misschien steeds over onmacht.”

“Er moeten mensen rondlopen” zei de recensent, “die ik tot in het diepst van hun ziel heb gekrenkt door afwijzing of hoon. Ik zou iemands zelfmoord op mijn geweten hebben. Het is me verteld maar ik geloof het niet.”

“Het valt mee” zeiden de dichter, de essayist en de romancier. “In die vijftig jaar zijn onze boeken geprezen, veroordeeld en genegeerd, zoals dat gaat, en onze blijdschap, woede en teleurstelling verbleekten, zoals dat gaat. Op twee recensenten van lang geleden zijn wij boos gebleven. Zij twijfelden aan onze goede trouw, dat konden we niet verdragen.”

“Wij leefden in dat paleis” zei de jubilaris, “en zoals de journalist zei, we vormden er onze plaats. Ik heb, merk ik, een plechtige dronk, en weet niet meer of we veel hebben meegedaan aan corruptie, vriendjespolitiek, intriges van grachtengordels. Of eronder hebben geleden. De arbeid van onze vriend de journalist, later de steun van het Fonds voor de letteren, de hoffelijkheid van onze uitgever, de appreciatie van enkele lezers...”

“Hou op” zei de recensent. “Er gaat in het literaire bedrijf evenveel mis als in andere bedrijven. Ik heb hard voor jullie gewerkt en het Fonds heeft jullie geholpen. We hebben niemand iets te verwijten, ook onszelf niet. Het is allemaal onze eigen verdienste en onze eigen schuld. Ik heb een sentimentele dronk, wat niet past bij mijn beroep.”

“Dit was het boeiendste” zei de romancier, “maanden, jaren lang in gezelschap van romanpersonages twee levens leiden, een ervan op papier, ja dat was opwinding. Ik heb een dromerige dronk.”

“Jongens” zei de jubilaris, “ik schenk nog een glas. Laten we afspreken dat we niets verloochenen en niets betreuren.”

De essayist zei: “Het is productiever om alles te betreuren en alles te verloochenen.”

“Ik drink vandaag op dat bundeltje van vijftig jaar geleden” zei de jubilaris. “Er staat een gedicht in van vijfenvijftig jaar geleden dat zo eindigt: “Voordat de regen het doorweekt,/ Wacht ik het uur dat een der vonken/ Uit zuivre hemel of spelonken/ Het vuurwerk dat ik ben ontsteekt.”

“Vijfenvijftig jaar wachten op genie” zei de dichter. “Wat een geduld. Ik heb, vrees ik, een miezerige dronk.”

    • Alfred Kossmann