Feestende soldaten arbitrair in beeld gebracht

Tentoonstelling: De Hollandse kortegaard: geschilderde wachtlokalen uit de Gouden Eeuw. T/m 30 sept. Nederlands Vestingmuseum, Westwalstraat 6 Naarden. Ma t/m vr 10u30-17u, za-zo 12-17u. Cat ƒ 35,-

Uitrusting en bewapening mogen dan in de loop van de eeuwen zijn gewijzigd; op de dagelijkse activiteiten van Jan Soldaat heeft de tijd nauwelijks invloed gehad. Sinds mensenheugenis slijten soldaten hun dagen in ledigheid. Ze wachten, hangen wat rond, poetsen tot slijtens toe hun wapens en uitrustingsstukken, maken ruzie of proberen de verveling te verdrijven met kaart- en dobbelspel.

Schutters en soldaten vormden dan ook een dankbaar onderwerp voor de Nederlandse zeventiende-eeuwse genreschilders die moraliserende boodschappen in hun (ogenschijnlijk) realistische taferelen verstopten. Vindt het drinken, zingen, dobbelen, vrijen of vechten in een wachtlokaal plaats dat door militairen wordt bevolkt, dan spreken we van een zogenaamde 'kortegaard'. In het Naardense Vestingmuseum zijn zestien 'kortegaardjes' bijeengebracht: groepjes soldaten die in rommelige, schaars verlichte vertrekken rondhangen. Ze inspecteren de (geroofde) rijkdommen die uit grote kisten puilen of vermaken zich met prostituées. Sommige kortegaarden zijn wat ingetogener: de soldaten poetsen hun kuras, roken rustig een pijpje, of vermaken voorname gasten met trompetspel.

Initiator van de tentoonstelling is kunsthistorica Ellen Borger. Ze wist het Vestingmuseum te interesseren voor de doctoraalscriptie die ze over het onderwerp had geschreven. In de catalogus gaat Borger onder meer in op de verschillende militairen die ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog in Nederland werden aangetroffen. Die kunnen grofweg in twee categoriën verdeeld worden: enerzijds de huurlingen en dragonders van het Staatse leger. Anderzijds de stedelijke milities die op hun beurt weer een onderverdeeld waren in betaalde krachten (de zogenaamde 'waardgelders') en onbezoldigde burgers. Borger concludeert dat op de kortegaarden overwegend de burgerwachten die 's avonds en 's nachts verantwoordelijk waren voor rust en orde in de stad werden afgebeeld.

Het gedrag in wachtlokalen was aan strenge regels gebonden: de aanwezigheid van lichtekooien was verboden en vloeken of dronkenschap werden evenmin getolereerd. Aannemelijk is dat er op dit punt al sprake was van een gedoogbeleid. Van het Staatse leger is in ieder geval bekend dat het een sterke aantrekkingskracht op prostituees uitoefende.

Behalve de zestien kortegaardjes (waarvan er zeven afkomstig zijn uit musea in Krakau en Warschau) worden op de tentoonselling prenten en tekeningen over het militaire bedrijf getoond. Ook zijn er zeventiende-eeuwse wapens en kurassen te zien en - heel zeldzaam - een zeventiende-eeuwse trompet.

Inhudelijk valt er op deze tentoonstelling wel het een en ander aan te merken. De zestien schilderijen - toch al een beetje weinig - vormen geen representatieve selectie van het genre. Anthonie Palamedesz is met tien schilderijen sterk oververtegenwoordigd. Andere belangrijke beoefenaars van het genre als Pieter Quast, Jan Olis en Leonaert Bramer ontbreken. Bramer wordt niet eens in de catalogus vermeld, terwijl hij toch een tiental schilderijen van wachtlokalen met trik-trak spelende, dobbelende, musicerende en vechtende soldaten heeft gemaakt. Dat er zeven nauwelijks bekende werken uit Poolse musea te zien zijn is mooi, maar waarom worden de tientallen kortegaarden die zich in de depôts van Nederlandse musea bevinden niet getoond? Het Haagse Bredius-museum bezit een kortegaardje van Daniël Cletscher, een Haagse schilder die ook Kwartiermeester in het Staatse leger is geweest. Over dergelijke tekenende en schilderende soldaten wordt met geen woord gerept in de catalogus. Ook verwante genres als 'batailles' (imaginaire veldslagen) en plunderingen (een onderwerp waar de Zuid-Nederlander Sebastiaan Vrancx in gespecialiseerd was) komen niet aan bod.

Zeventiende-eeuwse soldaten waren op veldtochten veelal in tentenkampen in de open lucht gelegerd en werden daar ook geschilderd. Interessant zijn de taferelen met kaartspelende en drinkende soldaten voor hun tent die de Duitser Johann Heinrich Schönfeldt en de Fransman Sebastien Bourdon hebben gemaakt. Borger laat ze buiten beschouwing en behandelt de kortegaard als een exclusief Hollandse genre.

De tentoonstelling 'De Hollandse Kortegaard' is te beschouwen als een 'amuse gueule': de opmaat voor een grotere tentoonstelling. Want over soldaten op zeventiende-eeuwse schilderijen valt nog veel meer te zeggen.

    • Erik Spaans