Falen is ontroerender dan triomf; Olympisch Museum in Lausanne verbindt kunst en sport

'Toen het oude Olympia straalde', schreef Pierre de Coubertin, geestelijk vader van de moderne Olympische Spelen, 'vonden bij de Spelen naast sport- ook kunstwedstrijden plaats.' De Coubertins ideaal van 'een harmonische verbinding van kunst, sport en cultuur' bleef sluimeren en heeft ten slotte in 1993 gestalte grekegen in het Olympisch Museum in Lausanne. “Veel meer dan kunst is sport in de greep geraakt van de commercie.”

Musée Olympique, Quai d'Ouchy 1, Lausanne, Zwitserland.1 mei t/m 30 sept. di t/m za 10-19u; 1 okt. t/m 30 april 10-18u.

Kunst en sport hebben een moeizame verhouding. Een bezoek aan een galerie met aan sport gewijde kunst, zoals 'Sparts' in de Utrechtsestraat in Amsterdam, is weinig opbeurend. Voor kunstenaars die hier hun werk verkopen, is sport vrijwel altijd aanleiding voor schreeuwende kleuren en vage, dynamiek suggererende strepen die een wereld oproepen die hoort bij drank, vrouwen en snelle auto's. Natuurlijk bestaan er wel een paar mooie sportkunstwerken. Kazimir Malevitsj maakte in 1915 een abstract geometrisch doek met de titel Schilderkunstig realisme van een voetbalspeler - kleurmassa's van de vierde dimensie en de Italiaan Umberto Boccioni beeldde in 1913 op typisch futuristische wijze een voetballer uit. Maar dit zijn uitzonderingen: sport is geen serieus onderwerp in de kunst.

De handigste oplossing om sport en kunst met elkaar te verzoenen is de bewering dat ze eigenlijk hetzelfde zijn. 'Ajax is art' is een kreet die de laatste jaren vaak is te horen geweest. Er is ook wel iets voor te zeggen: zowel sport als kunst hebben weinig of geen direct nut en schoonheid speelt bij beide verschijnselen een rol. Maar het onoverbrugbare verschil tussen kunst en sport is en blijft dat het bij de laatste toch altijd draait om het objectief meetbare 'sneller, hoger, sterker', begrippen die in de kunst geen rol spelen. Ajax kan nog zo goed spelen, maar als het elftal vaak zou verliezen, zou niemand meer beweren dat 'Ajax kunst is'. Bij sport gaat het toch uiteindelijk om winnen, maar kunst is geen wedstrijd.

Toch vond Pierre de Coubertin (1863-1937), de geestelijk vader van de moderne Olympische Spelen, dat kunstwedstrijden een plaats moesten krijgen bij de Spelen. “Toen het oude Olympia straalde”, schreef hij “vonden bij de Olympische Spelen naast sport- ook culturele en kunstwedstrijden plaats. Dit moet in de toekomst ook zo zijn.” Bij de eerste Olympische Spelen, nu precies honderd jaar geleden, ontbrak de kunst nog, maar bij de Spelen van Stockholm in 1912 lukte het De Coubertin een 'penthatlon der muzen' te houden: ook dichters, schilders en architecten kregen toen gouden, zilveren en bronzen medailles voor hun sportkunstwerken.

Geen medailles

Zeven keer gingen de Olympische Spelen vergezeld van kunstolympiades. Erg succesvol waren ze niet. Vaak werden geen medailles uitgereikt, omdat de werken onder de maat bleven en de critici reageerden vrijwel altijd teleurgesteld op de de kunstwedstrijden. 'Een overstelpende hoeveelheid middelmatigen arbeid', schreef De Groene Amsterdammer bijvoorbeeld over de expositie van sportkunstwerken tijdens de Olympische Spelen in Amsterdam van 1928. Gebrek aan kwaliteit was dan ook de reden dat de kunstwedstrijden in 1948 werden opgeheven.

Maar De Coubertins ideaal van 'een harmonische verbinding van kunst, sport en cultuur' bleef sluimeren en heeft ten slotte in 1993 toch blijvend gestalte gekregen in het Olympisch Museum in Lausanne, de Zwitserse stad waar het Internationaal Olympisch Comité is gevestigd. Het is een merkwaardig museum. Meestal maken architecten die de kans krijgen een museum te ontwerpen, van de gelegenheid gebruik om een groots, liefst plechtig gebaar te maken. Maar het Olympisch Museum is juist onopvallend: het lijkt alsof het terrasvormige gebouw het liefst helemaal in de heuvel van het Olympisch Park was gekropen.

De Mexicaan Pedro Ramirez Vázquez, niet toevallig ook lid van het Internationaal Olympisch Comité en architect van onder meer het Antropologisch Museum in Mexico City en het Nubisch Museum in Aswan, en de Zwitser Jean-Pierre Cahen hebben een gebouw ontworpen dat zowel vanaf de weg boven aan de heuvel als vanaf het Meer van Genève vrijwel onzichtbaar is. Pas halverwege de tocht van het meer naar het museum krijgt de bezoeker iets van de contouren van het gebouw te zien. Dan heeft hij al allerlei beelden gepasseerd die langs het kronkelende pad tegen de heuvel staan opgesteld. Voor een groot deel zijn het geschenken van de nationale Olympische Comités. Nederland gaf bijvoorbeeld Zwemmer, een beeld van David Vandekop uit 1988 dat is opgebouwd uit twee dozen in grijs en geel en een onbestemde, knoestig-ronde blauwe vorm. Het is één van de weinige abstracte sportsculpturen in het Olympisch Park. De geschenken zijn altijd gemaakt door kunstenaars die vooral bekend zijn in het schenkende land. Meestal hebben ze gekozen voor tamelijk realistische uitbeeldingen van sporters. Maar daarnaast bezit het museum ook werken van Alexander Calder, Fernando Botero, Niki de Saint-Phalle, Joan Miró en Tapiès en Jean Tingueley die sport op een minder letterlijke manier tot onderwerp hebben.

De wandeling naar het museum eindigt boven op een stralend wit terras voor de museumingang. Hier wordt de moeizame verhouding tussen kunst en sport weer eens duidelijk en waant men zich in galerie Sparts. Acht patserige, witte kolommen staan er als verwijzing naar de Zeus-tempel in het oude Olympia, en het beeld Citius, Altius, Fortius (Sneller, Hoger, Sterker - de Olympische spreuk) van Miguel Berrocal is eerder op zijn plaats in een boksschool dan bij een museum. Het is een kolossale goudkleurige torso die onmiskenbaar duidt op het gebruik van teveel spierversterkende middelen en alsof dit nog niet erg genoeg is, draaien de zes delen waaruit het beeld is opgebouwd om de paar seconden om hun as: de afschrikwekkende spieren kunnen nog dansen ook!

Gelukkig blijken de zuilen en het spierenbeeld ongunstige uitschieters. Het museum is voor de rest opvallend sober: de façade van het museum bestaat uit nauwelijks meer dan rechthoekige muurvlakken van spierwit marmer en binnen wordt de blik van de bezoeker ogenblikkelijk getrokken door een gracieuze spiraalvormige hellingbaan, die het middelpunt het museum vormt. De spiraal is ook toegankelijk voor degenen die het museum niet willen bezoeken en eindigt op de vierde verdieping bij het restaurant dat ook vrij toegankelijk is. Zo verbindt de hellingbaan niet alleen de vier etages met expositieruimtes maar de baan vormt ook een toegang tot het Olympisch Park, een opzet die doet denken aan die van Rem Koolhaas' Kunsthal in Rotterdam.

Bobsleeën

Ook binnen in het museum blijkt de 'harmonieuze verbinding tussen sport en cultuur' moeilijk tot stand te brengen. Op de begane grond is de zaal voor tentoonstellingen van Andy Warhol en Viktor Vasarely, om maar een paar kunstenaars te noemen aan wier werk het museum tentoonstellingen heeft gewijd. Ze hebben geen speciale band met sport en zouden net zo goed in gewone kunstmusea op hun plaats zijn . Ook elders in het gebouw stuit men op beelden, van Rodin bijvoorbeeld (De Amerikaanse atleet) en van Bourdelle (Heracles). Maar steeds blijft kunst franje, niet meer dan een omlijsting van de exposities over de Olympische Spelen. De beelden staan wat verloren tussen de zee aan fakkels, medailles, bobsleeën, schaatsen, ski's, oorkondes, sportschoenen, ballen, gewichten, enzovoort.

De exposities zelf zijn bijzonder eigentijds en dus interactief. Videowanden vertonen permanent beelden van sportende Olympiërs en in de vitrine waar aan de hand van oorkondes, foto's en sportvoorwerpen de geschiedenis van de moderne Olympische Spelen wordt belicht, hangen monitoren die doorlopend filmpjes vertonen. Die zijn vaak prachtig. De beelden van mislukkingen zijn het mooist. Marathonlopers die in het zicht van de finish bezwijken, voetballers die voor open doel missen en oprecht vertwijfeld de handen voor ogen slaan en zich de haren uit het hoofd trekken, skischansspringers die als vallende stenen tegen een berghelling kwakken en - heel vreemd - kolossale, ingewikkelde vliegmachines die jaren noeste arbeid moeten hebben gevergd en drie meter na het vertrek als een kaartenhuis in elkaar storten - ze maken weer eens duidelijk dat falen ontroerender is dan triomf.

Het museum staat vol computers die in beeld en tekst informatie geven over sporten, medaillewinnaars en de Olympische Spelen zelf. In de kelder kan men, gezeten in hokjes die iedereen kent van de race-autosimulatoren in gokhallen, duizenden video's over duizenden onderwerpen opvragen. De duistere kanten van de Olympische Spelen worden in al deze presentaties niet verdoezeld. Natuurlijk is het Olympisch Museum mede bedoeld als propaganda voor de Spelen, maar het bloedbad dat Palestijnse terroristen in 1972 in München onder de Israelische sporters aanrichtten, wordt op aanvraag uitgebreid belicht. En Hitler is vaak te zien op de beelden van de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn, overigens de eerste Spelen, zo valt ook te leren in dit het museum, waarbij het fakkelvuur voor de ontsteking van de Olympische vlam helemaal uit Olympia werd gehaald. Wel wordt de informatie over het Olympische geboefte op volstrekt neutrale toon gegeven. Hitler is in het Olympisch museum gewoon een van de vele staatshoofden die de Spelen openden en Leni Riefenstahl, Hitlers favoriete filmregisseur, wordt in expositie van Olympische-filmaffiches zonder schroom de 'beste sportfilmster aller tijden' genoemd. Waarschijnlijk is zij dat ook wel.

Pelops

Er is in het Olympisch Museum slechts één ruimte waar kunst en sport vanzelfsprekend samengaan en dat is de zaal waar de permanente expositie over sport in de Oudheid is te zien. Begin dit jaar werd de tentoonstelling uitgebreid met permanente bruiklenen uit vooraanstaande Europese musea als de Hermitage in Sint-Petersburg en het British Museum in Londen. De tientallen vazen, beelden en gebruiksvoorwerpen staan traditioneel sereen opgesteld. Ze laten zien dat voor de Griekse kunstenaars sport geen aanleiding was om eens flink met vegen en strepen aan de slag te gaan, maar een onderwerp dat net als oorlog, goden, helden en mythes werd verbeeld. Sterker nog, veel van de beroemdste Griekse kunstwerken zijn sportbeelden: de discuswerper van Myron en wagenmenner van Delphi zijn sportlieden. Deze sculpturen staan natuurlijk niet in het Olympisch Museum, maar de wel aanwezige marmeren torso's laten zien dat jongemannen bij voorkeur werden afgebeeld zoals ze in de sportschool, het gymnasium, waren: naakt.

Niet bekend

De Olympische Spelen en de andere grote sportevenementen - die van Delphi, van Isthmië en Nemea - hadden een religieuze oorsprong. Volgens een van de theorieën waren de allereerste Olympische Spelen onderdeel van de begrafenis van Pelops, zoon van Tantalus. Ze waren gewijd aan de Griekse oppergod Zeus en zijn altijd omgeven gebleven met allerlei religieuze rites en offers. Iets van dit religieuze karakter is in de hedendaagse sport behouden gebleven: alleen voetballers (en popsterren) zijn in de westerse wereld nog in staat massa's in vervoering te brengen. Vandaar ook dat dorre rationele geesten meestal een hekel hebben aan sport: de extatische kanten van sport zijn voor hen onbegrijpelijk.

Maar bovenal had sport in de Oudheid een praktische kant. Sport was voor de Grieken een voorbereiding op oorlog. Bij alle Olympische sporten - hardlopen (al dan niet met wapenuitrusting), verspringen, speer- en discuswerpen, worstelen, Pankration, boksen, wagenrennen en paardenraces - ging het om behendigheden die bij gevechten beslissend konden zijn. De filosoof Plato gaf in De wetten de raad om bij het worstelen alleen die grepen te oefenen die van pas konden komen in oorlogsgevechten. Teamsporten als voetbal die onnuttige vaardigheden met een bal vereisen, kenden de Grieken dan ook niet.

Sommige sporten waren ook niet minder dan een oorlog tussen twee indviduen. Griekse boksers, met linten en leren banden om de vuisten, streden net zo lang tot een van de twee uitgeput opgaf. En Pankration was niets anders dan een Goebbelsiaanse totaler Krieg tussen twee atleten. Botten breken, aan haren trekken, schoppen, slaan, krabben, bijten - alles mocht, behalve het steken van vingers in lichaamsopeningen, wat men kan beschouwen als het sportieve equivalent van het gebruik van chemische wapens in moderne oorlogen. Ook de hedendaagse sport heeft trouwens nog wel een oorlogsaspect. 'Voetbal is oorlog' is tenslotte de spreuk die trainer Rinus Michels onsterfelijk heeft gemaakt.

Maar al zijn de religieuze en oorlogszuchtige aspecten in de moderne sport niet helemaal verdwenen, vergeleken met het oude Griekenland is sport veel meer op zichzelf komen te staan. Het is veelzeggend dat de enige keren dat de Olympische Spelen deze eeuw niet werden gehouden er wereldoorlogen woedde, terwijl de Grieken terwille van de Olympische Spelen juist tijdelijk ophielden met oorlog voeren. Sport is in de twintigste eeuw eerder vermaak dan noodzaak en waarschijnlijk daarom is sportkunst zo besmet geraakt met reclame-achtige esthetiek. Veel meer dan kunst is sport in de greep geraakt van de commercie. Ook in het Olympisch Museum in Lausanne wordt dit pijnlijk duidelijk: een groot deel van de eerste verdieping was lange tijd gewijd aan een tentoonstelling over Coca Cola, een van de sponsors van de Olympische Spelen en het Olympisch Museum.

    • Bernard Hulsman