Europees zwijgen doet VS zwenken

De Amerikanen schuiven met hun prioriteiten, maar de uitkomst van deze bezigheid blijft voorlopig onduidelijk. Wel duidelijk is dat het internationale krachtenveld zich nog steeds bevindt binnen de vijfhoek gevormd door de VS, Rusland, China, Japan en Europa. Maar de onderlinge relaties en zeker de relaties van de VS met de vier andere hoeken zijn voortdurend aan veranderingen onderhevig.

De Amerikaans-Chinese verhouding heeft zich bijvoorbeeld in de loop van dit jaar bewogen tussen uitersten. Nog slechts een paar maanden geleden liep de spanning tussen beide mogendheden hoog op toen Peking, teneinde de Taiwanezen te intimideren, raketten afschoot op het zeegebied dat hun eiland omsluit. De VS stuurden zelfs een smaldeel om een eventuele invasiepoging te voorkomen. Peking reageerde geërgerd dat de Amerikanen zich schuldig maakten aan een onaanvaardbare inmenging in interne Chinese aangelegenheden. Over één ding zijn het regime in Peking en de regering in Taipeh het namelijk eens: Taiwan is een onverbrekelijk deel van China.

Onlangs heeft Clintons veiligheidsadviseur Lake een bezoek gebracht aan China. Zijn opdracht was zijn gastheren ervan te overtuigen dat de onderlinge betrekkingen zó delicaat zijn, dat spanningen als die waren opgeroepen door de Chinese manoeuvres rondom Taiwan tegen iedere prijs moeten worden voorkomen. De Chinese reactie wordt als positief omschreven, maar van die kant zal er zeker op zijn gewezen dat de Amerikaanse regering zelf blaam trof toen zij vorig jaar een visum verstrekte aan de president van Taiwan. Daarmee hadden de Amerikanen in Chinese ogen de onderlinge relaties zwaar belast. Een volkenrechtelijke scheiding tussen China en Taiwan zou daarmee tot een reële optie zijn gemaakt.

De Amerikaanse regering probeert in het presidentiële verkiezingsjaar een aantal zaken met betrekking tot China recht te zetten. Al eerder had zij de kwestie van de rechten van de mens losgemaakt van het economische verkeer. Het al dan niet toepassen van de clausule van meest-begunstigde handelspartner zou voortaan op puur zakelijke gronden worden beoordeeld. Dat hielp aanvankelijk nauwelijks om de lucht te klaren, omdat de Chinezen zich volgens Washington schuldig bleven maken aan 'gevoelige' export en aan schendingen van het intellectuele eigendom.

Op het laatste terrein is nu een overeenkomst bereikt die, samen met het bijleggen van de twist over Taiwan, de Amerikaans-Chinese betrekkingen op een nieuwe leest moet schoeien. Maar of de strategische prioriteit van goede relaties die Lake Peking heeft trachten aan te praten duurzaam is, zal moeten blijken. De kwade kansen zijn immers niet weggenomen, zij zijn hoogstens gemaskeerd.

Waar betrekkingen met China door Washington traditioneel worden onderhouden met één oog op de relaties met Moskou (en omgekeerd), daar bepalen de Amerikanen zich ertoe hun verhouding tot Japan op haar eigen merites te beoordelen. Ondanks alle problemen in het onderlinge economische verkeer en ontsporingen als de verkrachtingszaak op Okinawa, blijft Japan voor de Amerikanen in de eerste plaats een vast bastion.

Dat bastion mag sinds het einde van de Koude Oorlog ingrijpend van karakter zijn veranderd, de Amerikaanse regering is ongevoelig gebleven voor aansporingen Japan tot een 'gewoon' land te verklaren waarmee geschillen desnoods worden uitgevochten. Grote omzichtigheid kenmerkt de Amerikaanse Verre-Oostenpolitiek voorzover Japan daarin een rol speelt. Van een uitspelen van China en Japan zal voor de afzienbare tijd dan ook geen sprake zijn.

De regering-Clinton heeft zich gaandeweg ook steeds meer gebonden aan het Rusland van Jeltsin. Niet alleen steunt zij Jeltsin openlijk tegen zijn rivalen, zij gunt hem een plaats die aan de Japanse positie in de Amerikaanse politiek herinnert: de erfgenaam van een verslagen vijand die tot elke prijs in het zadel moet worden gehouden. Dat geeft de Russen, eveneens in navolging van de Japanners, een uitnemende gelegenheid om de relatie met de VS naar hun zin invulling te geven. Alleen, waar de Japanners vooral economische voordelen behalen, daar zien Jeltsin en zijn omgeving mogelijkheden om in regionaal strategische zin winst te boeken: een vrije hand bij het beoorlogen van separatisten als de Tsjetsjenen en een krachtige stem in Oosteuropese aangelegenheden.

Opmerkelijk tegen deze achtergrond is de sfeer in de Atlantische betrekkingen. Washington bezigt harde taal tegen zijn Europese bondgenoten. Europa's economische relaties met staten als Iran, Libië en Cuba zijn de Amerikanen een gruwel. President Clinton mag de werking van de Helms-Burtonwet voor een periode hebben opgeschort, Europese ondernemingen die de VS onwelgevallige handel drijven, hangen toch Amerikaanse sancties boven het hoofd. Niets van de coulance waarop Japanners en Russen, en tot op zekere hoogte de Chinezen, mogen rekenen, valt de Europeanen ten deel.

Een zekere grimmigheid duikt op in de verhouding tussen de Verenigde Staten en Europa. Dat is niet de eerste keer sinds zij zich tot een bondgenootschap verenigden. De Suezcrisis (1956), de oorlog in Vietnam en de oliecrisis van 1973 dreven de partners al eens eerder uiteen, maar altijd kwamen zij naderhand weer tot elkaar.

Ditmaal dreigt weliswaar geen crisis, maar eerder een geleidelijk loslaten. Dat heeft al zijn neerslag in de steeds gereserveerder wordende houding die Groot-Brittannië ten opzichte van het continent aanneemt. Er is dit jaar het nodige verklaard over een nieuwe opzet van de strategische samenwerking in Atlantisch verband. Maar als straks de Amerikanen zich militair uit Bosnië zullen hebben teruggetrokken, zullen de Atlantische verhoudingen opnieuw onder zware druk komen te staan.

Er wordt wel beweerd dat de VS Europa deze eeuw drie keer hebben gered: tijdens de Tweede Wereldoorlog, de Koude Oorlog en de burgeroorlog in Bosnië. Wie wil kan daaraan nog de Eerste Wereldoorlog toevoegen. Maar de onzekerheid over Amerika is desondanks zó groot, dat op het denken over een post-Amerikaans Bosnië praktisch een taboe is komen te rusten. Alsof de Amerikanen slapende honden zouden zijn die beter niet wakker kunnen worden gemaakt.

Het gevolg is dat Washington zijn inspanningen de laatste tijd heeft verlegd naar moeilijker terrein: Lake in Peking en vice-president Gore, deze week, in Moskou. Europa moet het met Holbrooke doen, een indrukwekkende trouble shooter, maar ook niet meer dan dat. Het Europese zwijgen wordt in Washington niet gehoord.