Een liefdevolle omarming, geen wurgende greep; Architect Abel Cahen over zijn Van Abbemuseum

“Het is verreweg het beste dat ik ooit heb ontworpen”, zegt Abel Cahen over zijn verticale verbouwing van het Van Abbe-museum, die niet zal plaatsvinden. Het Eindhovense college van B en W heeft zich onlangs neergelegd bij het bezwaar dat het exterieur van het bestaande museum er teveel door werd aangetast. Cahen is nu begonnen aan een nieuw ontwerp. “Natuurlijk heb ik mij afgevraagd of ik er niet een streep onder moest zetten, maar dan moet ik met het vak ophouden.”

Aan de Oude Waal in Amsterdam, in de schaduw van de Montelbaanstoren, is in een oud dubbel woonhuis het architectenbureau van Abel Cahen gevestigd. De beletage herbergt de ontwerpstudio en is net groot genoeg voor vier medewerkers. In de rommelige, onopgesmukte ruimte waar zachte operamuziek klinkt, overtreft het aantal beeldschermen dat van de tekentafels. “Wij gebruiken de computer als tekenmachine”, zegt Abel Cahen. “Maar mijn medewerkers hebben geleerd de computer te bedienen met hun linkerhand als zij rechts zijn en met hun rechterhand als zij links zijn. Zo houden zij hun tekenhand vrij voor het schetspotlood.”

Abel Cahen blijft hartstochtelijk in architectuur als métier geloven. Hij ontvangt mij op de bovenetage waar hij aan de voorkant een eigen werkdomein heeft ingericht: twee tafels in L-vorm tegen elkaar geschoven en een draaibare bureaustoel van Gispen uit de jaren dertig. Een computer ontbreekt niet, maar staat zodanig afzijdig dat veelvuldig gebruik onwaarschijnlijk lijkt. Zelf ontwerpt Cahen altijd met de hand.

De verdieping heeft een steenrode tegelvloer en middenin is een open keuken geconstrueerd uit de sobere materialen van het modernisme: grijze blokken betonsteen en draadglaspanelen gevat in ruw gelaste, ijzeren sponningen. Een vaal geworden exemplaar van 'de rood-blauwe' lattenstoel van Gerrit Rietveld draagt een slordige stapel schetspapier.

Hier heerst de geest van ambachtelijke functionaliteit en gecultiveerde eenvoud, de geest van de vooroorlogse avant-garde die ook architecten als Aldo van Eyck en Herman Hertzberger inspireerde. Abel Cahen (1934) is 'door dezelfde krachten grootgebracht', door de kunstenaars van De Stijl, door Le Corbusier, door de lichte bouwkunst van Jan Duiker en de betonnen monumenten van Louis Kahn. Een steile steektrap naar een luik in de zoldering wordt niet ervaren als een obstakel, maar als een object. Nadat Cahen en ik zijn gaan zitten voor een gesprek, zet een zwijgende medewerker een glazen percolator met koffie op tafel, een steelpannetje met warmgemaakte melk op een pannenlap als onderzetter, en een aardewerk kommetje met bruine suiker. In dit huis wordt elke vorm van modieus design geschuwd.

Vanaf mijn plaats op een stoel van Mies van der Rohe uit 1927 heb ik uitzicht op de laatste twee werkstukken van architectenbureau Cahen. De witte, kartonnen modellen zitten gevangen in twee tafelvitrines van plexiglas die achteloos, schuin bovenop elkaar, op een serveerboy zijn gedeponeerd. De uitbreiding van het Eindhovense Van Abbemuseum ligt onder de nieuwbouw die is bestemd voor de binnenstad van Gorinchem. De symboliek die uit deze volgorde kan spreken, zal zeker op toeval berusten. De winkelpassage met aangrenzende woningbouw in Gorinchem is nu als eerste aan de beurt om gebouwd te worden. Gedurende vier jaar is aan het ingrijpende plan gewerkt. Als alles goed gaat, kan in oktober de eerste paal worden geslagen.

Torentje

Met het uitbreidingsplan voor het Van Abbemuseum is het níet goed gegaan. Sinds het spoedberaad van het Eindhovense college van B en W op 26 juni, is het definitief van de baan. Het college heeft zich neergelegd bij het bezwaar dat het exterieur van het bestaande museumgebouw uit 1936 van de traditionalistische architect Kropholler, uiterlijk te rigoureus door het museum van Cahen wordt opgeslokt. Dat het interieur, met de magnifieke ligging van de zalen waaraan het Kropholler-gebouw vooral zijn museale waarde heeft te danken, door het ontwerp van Cahen onaangetast blijft, mocht de tegenstanders niet vermurwen. De bezwaren richtte zich vooral op het verlies van de zware baksteengevel met het karakteristieke torentje, een voorkomen dat in het verleden doorgaans als een sombere horreur werd beschouwd. De Arrondisementsrechter in Den Bosch gaf de behoudzuchtigen, onder wie nazaten van Van Abbe, in laatste instantie gelijk. Abel Cahen moet opnieuw beginnen, nu op het terrein achter het bestaande museumgebouw.

Alles bij elkaar heeft de bezwaarprocedure drie jaar geduurd. Is Cahen gedurende die periode weleens aan zijn eigen ontwerp, aan zijn spectaculair ogende 'verticale museum' gaan twijfelen?

“Ik twijfel heel vaak aan wat ik doe, dat moet ook en dat zal ik blijven doen. Maar het concept bestond allang voordat de protesten op gang kwamen. De fundamentele twijfels die je over zo'n ontwerp hebt, worden niet veroorzaakt door mensen die er tegen in opstand komen. Ik heb nooit gedacht: zij hebben gelijk, ik had dat torentje moeten laten staan. En nog steeds denk ik dat niet. Ik heb ook helemaal niet het gevoel dat ik Kropholler niet heb gerespecteerd. Zijn interieur, zijn onderling mooi gelegen tentoonstellingszalen, heb ik juist als uitgangspunt voor mijn ontwerp genomen. Maar mijn liefdevolle omarming wordt door anderen ervaren als een wurgende greep.

“Ik heb nooit een verticaal museum willen maken. Dat idee ontstond door de situatie, door het gebouw van Kropholler. Als van meet af aan was gezegd: één ding staat vast, de voorgevel met het torentje is juridisch beschermd en daar mag niets mee gebeuren, dan had ik een andere weg gevolgd. Maar het gebouw stond niet op de rijksmonumentenlijst, dus was het aan mijn geweten wat ik er wel of niet mee mocht doen. Daarbij komen inhoudelijke motieven. Gesprekken met directeur Jan Debbaut hebben mij inzicht gegeven in wat essentieel is in het museum. Architectuur is een gebonden kunstvorm en als het goed is, reageer je als klankbord op je opdrachtgever. Zo is dit ontwerp geboren.

“Het is een moeilijk en riskant concept geweest. Het is niet eenvoudig om van zo'n verticaal museum een gaaf lopend uurwerk te maken. Al het verkeer moet door die smalle hals naar boven, de trappen, de vrachtliften. En dat halsje wordt bepaald door het stukje dat ik uit het gebouw heb genomen, meer had ik niet. Ik geloof dat er maar twee andere verticale musea voor moderne kunst zijn, beide in New York. Het Whitney Museum, en dat vind ik een heel vervelend gebouw, en het Guggenheim. Dat laatste is natuurlijk een heel bijzonder gebouw, veel kunstenaars en museumdirecteuren zijn het daarover eens, maar zij vinden het als museum vaak ook een rotgebouw.”

Stapeling

Het gekrakeel over het torentje dat gaandeweg het symbool werd van het protest, heeft de aandacht voor de inhoudelijke kwaliteiten van Cahens omvangrijke museumuitbreiding overstemd. De vaststelling dat de verticale stapeling van horizontale vormen, waarin de verdrievoudiging van het bestaande volume wordt bereikt, prachtige museale ruimtes oplevert, komt als mosterd na de maaltijd. Het is doodzonde dat dit unieke museumgebouw nooit in Eindhoven zal verrijzen.

Cahen: “Ik heb een uitbreiding ontworpen die naar mijn vermogen de beste is. Hoe maak je zoiets? Ik ben niet een architect die als hij voor een nieuwe opdracht staat zijn ogen sluit en een beeld ziet. Mijn opdracht begint met de meest ernstige vorm van onnozelheid, namelijk dat je nog niet weet welke vragen je moet stellen. In dat stadium denk ik: Jezus Mina wat eng. Je loopt om de plek heen, je zit tegenover de mensen die het gebouw moeten gaan gebruiken en je hebt geen idee. Gelukkig ken ik deze vacuümtoestand. Om eruit te komen, ga je vragen stellen aan de mensen om je heen en aan jezelf. Dan volgt het stadium van de werkhypothese, er ontstaat een concept. Dat kan soms een hele tijd duren. In het volgende hoofdstuk probeer je het concept te verwezenlijken. Dat heeft iets van een verbouwing. Heel wonderlijk, je hebt niets en toch ben je in je hoofd driedimensionaal in de weer. Dan breng je het potlood op papier. Ik geloof dat Louis Kahn dit moment eens heeft beschreven: ik zit aan mijn tafel en zie al die fantastische, etherische beelden voor mij en pak mijn potlood. Het potlood nadert het papier en vanaf het moment dat het het papier raakt, komen er uitsluitend banaliteiten uit.

“Toch ontstaat er wat. En op den duur gaat het gebouw jou dicteren en hoor jij van het gebouw wat het verdraagt en niet verdraagt, waar het om vraagt en wat het afwijst. Dan komt het ogenblik waarop je een verbond sluit met het gebouw. Dat is vreemd, want je kunt elk moment opnieuw beginnen. Dat moet je ook doen als je een beter concept hebt. Maar je kunt niet aan de gang blijven en op een gegeven moment spring je in het water. Dan ben je bezeten van het gebouw, je tracht je omgeving deelgenoot van die bezetenheid te maken en zo probeer je aan de andere kant van het water te komen.”

Met het verticale museum heeft Abel Cahen zijn ideale uitbreiding van het Van Abbemuseum ontworpen. Nu moet hij van voren af aan beginnen en opnieuw de intensieve ontstaansgeschiedenis doormaken die hij zojuist heeft geschetst, van het lege beeld tot het gebouw dat hem met bevlogenheid zal vervullen. Heeft hij niet de neiging om de opdracht terug te geven?

“Toen in de laatste week van juni formeel het definitieve oordeel viel, wist ik al ongeveer een jaar vrijwel zeker dat het niet door zou gaan. Dat neemt niet weg dat zo'n afloop gruwelijk is. In mijn hoofd bestaat het gebouw van onder tot boven. Ik dwaal door de zalen, door die schitterende ruimten die aan kathedralen doen denken. Het is verreweg het beste dat ik ooit heb ontworpen. Dat is het meest onverdraaglijk: je hebt met je medewerkers iets fantastisch gemaakt dat net zo goed niet gemaakt had kunnen worden.

“ Maar ik ben in staat om een deur dicht te doen en verder te leven. Het is wel zo dat wat wij nu gaan maken, net zo goed moet zijn, of nog beter. Het wordt een totaal ander gebouw, wat niet wil zeggen dat mijn vormgrammatica er niet in zal zijn terug te vinden. Wat mij sterkt is dit: ik heb de opdracht geaccepteerd in de overtuiging dat het gebouw niet beschermd was. Wanneer het beschermd was geweest, had ik een ander ontwerp gemaakt en daar was ik beslist uitgekomen, dat weet ik. Maar straks zal ik bij de beoordeling ongetwijfeld met mijn vorige prestatie, het verticale museum, worden geconfronteerd. Ik hoor het al, 'dat vorige ontwerp was toch veel interressanter', vermoedelijk ook uitgesproken door mensen die nu met hun kritiek dit interressante plan van uitvoering hebben weerhouden.

“Natuurlijk heb ik mij afgevraagd of ik er niet een streep onder moest zetten, maar dan moet ik met het vak ophouden. En dat kan ik niet, niet omdat ik dan geen werk meer heb, maar omdat ik nog steeds van architectuur bezeten ben. En voor doorgaan met het Van Abbe, heb ik een extra zwaarwegend argument. Ik hou intens veel van moderne kunst. En ik hou onzettend veel van het Van Abbemuseum.Het museum is een beetje van mij. Ik zou het gewoonweg niet kunnen verdragen als een andere architect het museum zou maken. Een paar weken geleden ben ik weer met schetsen begonnen en dat betekent dat ik doorga. Het is weliswaar een waanzinnige opdracht, maar ik zal een museum maken dat helemaal anders is en op z'n minst net zo goed als het vorige.”

Grachtenpand

De loopbaan van Abel Cahen is met horten en stoten verlopen. In de jaren zestig deed hij voor het eerst van zich spreken toen hij, samen met Patrice Girod, met een smal grachtenpand aan het Singel in Amsterdam aantoonde dat nieuwbouw in de oude binnenstad heel goed en mooi mogelijk is zonder historische voorbeelden te imiteren. Het smalle huis dat uit geprefabriceerde betonnen elementen is opgebouwd, of liever gezegd opgestapeld, staat in alle architectuurgidsen als voorbeeld van sublieme moderne bouwkunst in een eeuwenoude gevelwand. Voordat in 1968 met de uitvoering van het achteraf prijzenswaardige ontwerp werd begonnen, had de Welstands Commissie veertien eerdere ontwerpen van het duo Cahen-Girod afgekeurd. Daarmee liep de bouw een jarenlange vertraging op.

Het ontwerp voor het kantoorgebouw van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in de binnenstad van Amersfoort was eenzelfde lot beschoren. Cahen ontwierp het ingewikkelde complex van nieuwbouw en te renoveren panden tussen 1974 en 1979. De bouw vond plaats in 1985-1988 en het is aan Cahens vasthoudende bevlogenheid te danken dat ondanks talloze moeilijkheden en forse bezuinigingen ook in Amersfoort een meesterwerk is ontstaan. De markante groepering van witte kubussen gelardeerd met dakterrassen verraadt dat Cahen tijdens zijn jeugd, die hij in Haifa doorbracht, door Arabische architectuur omgeven was.

Cahen: “Sommige mensen zeggen dat het ROB-gebouw typisch een gebouw is uit de jaren zeventig, hoewel het pas aan het einde van de jaren tachtig is gebouwd. Dat klopt, het is in de jaren zeventig ontworpen en sluit met de geprefabriceerde elementen aan op het gebouwtje aan het Singel. Toen het ontwerp na jaren uit de la werd gehaald en gebouwd, kon het niet meer worden veranderd. Ik had mij liever niet opnieuw zo willen laten leiden door de constructie, maar ik kon er niet meer onderuit. Daardoor leek het misschien of ik stil was blijven staan. Bij de uitbreiding van het 'Van Abbe' had ik de behoefte om niet zozeer de constructie te laten spreken, maar om 'gedematerialiseerd' te werken. Dat wil zeggen dat de constructivistische compositie van geometrische vormen op de eerste plaats moest komen en belangrijker was dan het beeld van de constructie of van het materiaal. Geen enkele gevelbekleding die ik mooi vond, bleek betaalbaar te zijn. Dus hebben we toen voor pleisterwerk gekozen, dat is weliswaar duur in onderhoud, maar kwam mijn behoefte aan materiaal dat zich zo weinig mogelijk manifesteert het meest nabij.”

Kippengaas

“ Maar nu is het met de pleisterarchitectuur ook weer afgelopen. Wat er hierna komt? Ik weet het niet. Ik zou wel weer eens met fantastisch materiaal willen werken. Ik ben geen architect voor golfplaat, kippegaas of strohalmplaten. Een marmeren trap kan ik heel mooi vinden. Maar ik heb niets met het postmodernisme te maken. Er is geen architectuurstroming waarmee ik mij kan vereenzelvigen. Wel denk ik nog steeds dat vorm en functie met elkaar te maken hebben en dat heb ik met de uitbreiding van het Van Abbe proberen te laten zien. Aan het van buiten adembenemende gebouw kan je aflezen hoe je van binnen rondloopt door adembenemende ruimten. Ik besef steeds meer dat architectuur een vorm is van kunst, maar ook dat er een groot verschil is tussen het maken van architectuur en bouwen.”

Waar is dat verschil vooral op terug te voeren?

“Onder andere op het feit dat wij architecten elkaar en onszelf voortdurend voor de gek houden. Dat begint al met de opdrachtverwerving voor overheidsgebouwen via de verplichte Europese aanbesteding. Die dwingt je eigenlijk altijd in de situatie van een competitie waarbij inhoudelijke, architectonische argumenten niet op de eerste plaats komen. Je moet een nonfaillisementsverklaring overleggen, jaarstukken inleveren en bewijzen dat je belasting hebt betaald. Uit een bankgarantie moet blijken dat men bereid is je te financieren of te ondersteunen voor een bepaald percentage van de bouwsom. Een briljant, pas afgestudeerd architect heeft dat allemaal niet en werkt in een café om wat bij te verdienen. Als we niet oppassen, gaan straks alle opdrachten naar de grote, goed geleide architectenbureaus.”

Het verschil tussen het maken van architectuur en bouwen wordt volgens Cahen niet alleen steeds groter omdat bouwmanagers meer en meer de dienst gaan uitmaken, maar ook omdat architecten zo karakterloos zijn. Opdrachten worden afhankelijk van hoeveel de architect bereid is op zijn honorarium te korten. Er bestaan natuurlijk tarieven, maar achter elke regel staat wel 'tenzij anders overeengekomen tussen opdrachtgever en architect'. Zo verschuiven de normen. Architecten zijn competitiegek, zet er drie bij elkaar en zij gedragen zich als honden in een hondengevecht.''

Status

“Opdrachtgevers zijn altijd te laat. En omdat architecten tegen alles ja zeggen, is ons geen tijd meer gegund. Vier of zes weken voor het maken van een voorlopig ontwerp begint normaal te worden. Dat is een absurd korte tijd waarbinnen je nooit iets behoorlijks kunt maken. Ik heb zelfs gehoord van een collega die binnen zes weken een plan bestekgereed moest maken en dat zelfs ook heeft gedaan. Dat kan helemaal niet, maar bijna alle architecten doen er aan mee. Zij begrijpen niet dat je het niet alleen om ethische redenen niet mag doen, maar dat je daarmee ook het vak uitholt.

“In het bouwteam dreigt de status van de architect toch al steeds geringer te worden. Projectontwikkelaars en bouwmanagers omgeven zich met gehoorzame, dus niet de beste adviseurs en met een groeiende schare van specialisten die pal staan voor hun eigen discipline. Wij zijn steeds minder in staat om bij alle aspecten die de architectuur betreffen, zorgvuldige afwegingen te maken. Om te beginnen zijn we ondergeschikt aan de catastrofe die 'Bouwbesluit' heet. Het bouwbesluit is anti-architectuur en bestemd voor ambtenaren die van architectuur geen enkele sjoege hebben. Er staat bijvoorbeeld in hoeveel ramen een bepaalde ruimte minimaal en maximaal dient te hebben. Le Corbusier heeft eens, op de vraag hoeveel ramen ergens moesten komen, geantwoord dat je moet beginnen met je af te vragen of er überhaupt wel ramen moeten komen. Pas na het antwoord op die vraag krijgt een ruimte de juiste hoeveelheid ramen. Het bouwbesluit verordonneert ook hoe dik een baluster moet zijn, namelijk zo dik dat een olifant er op kan staan. En een trap met één leuning is verboden. Dus daar hoef je ook niet meer over na te denken.”

Onstuitbaar is Abel Cahen in het opsommen van de regels, de wetten, de functionarissen en instellingen die de culturele waarde, die ongrijpbare 'vierde dimensie' van architectuur bedreigen en vaak onmogelijk maken. De calculatoren die volhouden dat een rechte hoek goedkoper is dan een ronde, de brandweer, de handhavers van de Arbo-wet die de veiligheidsnormen regelt, de nutsbedrijven; stuk voor stuk zijn zij gemachtigd om het 'dit keur ik af' uit te spreken, zonder zich te bekommeren om de gevolgen van hun verwerping voor de architectuur. En het is meestal de vierde dimensie die door de gevolgen wordt beschadigd. Samengevat in een stelling, is een van Cahens grootste zorgen: door de teloorgang van de kostbare, onbecijferbare facetten die de culturele component van architectuur bepalen, worden bouwkunst en bouwen steeds verder uit elkaar gedreven.

In een gesprekspauze kan Cahen het niet laten om de vitrine met het model van zijn verticale museum even omhoog te houden. “Mijn carriëre is natuurlijk gek verlopen. Ik heb veel te weinig gebouwd. Omdat ik altijd een wetmatig ontwerper ben geweest, heeft men mij vroeger wel bij het structuralisme van Van Eyck, Hertzberger en Piet Blom ingedeeld. Maar nu ben ik in het waardige stadium gekomen dat ik nergens meer bij hoor. En dat is goed. Alleen jammer dat ik het moet vaststellen aan de hand van een dingetje van karton.”

    • Max van Rooy