'De slotdag wordt een heel karwei met die zere poten'

NIJMEGEN, 19 JULI. Er is nog hoop, staat er op zijn T-shirt geschreven. Hij draagt een rode pet met de naam Sjef. Onder het hoofddeksel wappert een geruite theedoek, die zijn nek tegen de zon moet beschermen. Uitgeblust ligt hij tegen de kiosk op het plein achter café-restaurant De Vereeniging, elke dag het begin- en eindpunt in de Nijmeegse Vierdaagse.

Zijn tongval verraadt dat Sjef een Brabander is, vrijwel zeker uit Helmond of omstreken. “Mijn hemel, wat heb ik afgezien”, zucht hij, “ik heb bekant geen benen meer over.”

Het is donderdagmiddag, tegen één uur. Hoewel al heel wat wandelaars zijn aangekomen, is het nog vrij rustig bij de tenten waar ze hun stempel moeten halen. Het ruikt naar poffertjes, maar Sjef wil drinken: “Ik doe een moord voor een glas bier”, lacht hij, terwijl hij de blaren onder zijn voeten bekijkt. Hij is slecht voorbereid aan de Grote Tocht begonnen, bekent hij. Na een weddenschap in zijn stamcafé (“Die Vierdaagse loop ik makkelijk”), kwam hij niet meer onder het wandel-avontuur uit. Dinsdag en woensdag was zijn leed nog te overzien, maar vandaag was het een hel. “Onderweg ben ik stil blijven staan bij een kapelleke. Daar heb ik Maria beloofd dat ik zondag naar de kerk ga, als zij er voor zorgt dat ik morgen de finish haal. De slotdag wordt nog een heel karwei met die zere poten.”

Sjef wordt van dichtbij gade geslagen door een Engelse bobby in uniform, die medelijden met het slachtoffer toont. De Londense politieman - hij stelt zich beleefd voor als Ian Tax - oogt heel wat fitter na zijn vijftig kilometer over onder meer de beruchte Zevenheuvelenweg bij Berg en Dal. Maar hij is dan ook goed getraind en deed al tweemaal eerder mee. Bij het stempelen heeft Tax nog energie voor een grapje. “Can I buy here some feet?” vraagt hij de vrijwilligster achter de toonbank. Tax is als een van de eerste bobby's binnen. Een van zijn collega's, eveneens getooid in werktenue inclusief helm, arriveert een half uur later. Voor hij een versnapering nuttigt stopt hij bij een bord met informatie: de eerste dag zijn 35.184 lopers vertrokken, van wie er toen 599 zijn uitgevallen; woensdag haakten er 1.091 af.

Op dat moment heeft een mensenmassa - wandelaars, helpers, publiek - zich meester gemaakt van het plein, dat nu veel weg heeft van een gezellige braderie. De hele omgeving is trouwens vol, het is een grote voetgangerszone in Nijmegen. Een oudere Chinees is na de finish de weg kwijt. Wie kan Peng of Deng vertellen waar en hoe laat zijn busje vertrekt? Met veel armgebaren wordt het de Aziaat duidelijk gemaakt. Dan sjouwt hij met zijn O-benen naar de in Via Gladiola omgedoopte straat met tribunes, waar vanmiddag de inhuldiging plaats vindt. Omstanders gapen hem na: hoe kan iemand met zulke afgetrapte schoenen - beide zolen héél scheef - veertig of wie weet vijfig kilometer wandelen?

Bij artiesteningang van De Vereeniging slaakt een blonde man een vreugdekreet: hij is er. Zijn gestalte doet aan de Deense Tourheld Bjarne Riis denken, maar hij is geen familie, hij komt uit Noorwegen. “Jeg er sulten”, roept hij, hij heeft honger. Eten en drinken is er genoeg, als feestelingen zitten vele wandelaars aan lange tafels.

Vier rolstoelers vormen een eigen kringetje, bier en pruimen nuttigend. Een van hen, P. van Akkerveken uit Weert, bekent dat de derde dag door de zeven heuvels extra lastig was. “Maar daar kun je je op trainen, dat hoeft geen enkel probleem te zijn”, meent hij. Van Akkerveken en zijn collega's hebben niet gekozen voor speciale snelle rolstoelen, “want we willen er geen race-evenement van maken”. De kleine groep gehandicapten krijgt waarschijnlijk geen kruisje, “omdat we niet in de zin van het woord lopen”, vertelt hij. Dat vindt hij best wel triest. “Een rolstoeler die het met zijn handen doet, verdient dezelfde waardering als een lopende”, oordeelt hij. Van Akkerveken heeft naar zijn zeggen blaren. “Een op mijn kont en een op mijn tong, vanwege het het uitgebreide kletsen met de andere deelnemers. Wandelen is een stuk verbroedering. En je pept elkaar op. Ik heb woensdag nog als haas gefungeerd voor een militair met volledige bepakking, die zijn peloton had moeten laten gaan. Dat werd zeer gewaardeerd, zo'n samenspel tussen een valide en een gehandicapte maakt het evenement fantastisch.”

Tegen drieën komen de wandelaars schouder aan schouder binnen, het is een drukte van jewelste. De opgewekte gezichten overheersen, maar er zijn ook lopers die het zichtbaar te kwaad hebben. Het aantal strompelenden is veel groter dan een paar uur tevoren. In de laatste straat naar De Vereeniging, bij café Puntkomma, speelt de Tielse band BBK op volle kracht de bekende Schlager van Johnny Hoes: Och was ik maar bij moeder thuis gebleven. “Inderdaad”, merkt een door flinke kniepijn geplaagde deelnemer op, “de sfeer is geweldig, als wandelaar zien ze mij hier niet meer.”