De olympische lessen van Jimmy Carter

ATLANTA, 19 JULI. Aan de muur van Manuel's Tavern hangen verweerde portretten van Franklin Delano Roosevelt en John F. Kennedy. “Dit is een politiek getint café”, zegt een vaste klant in de kroeg aan de North Highland Avenue in Atlanta. “Democratisch”, voegt hij er overbodig aan toe.

Bij de ingang is de wand behangen met foto's van de eigenaar, zij aan zij met bekende landgenoten. Zoals vice-president Al Gore en president Bill Clinton, vanavond opnieuw present in Atlanta, bij de openingsceremonie van de Olympische Spelen.

De Democraat die hier ook tot de stamgasten behoort, samen met zijn vrouw Rosalynn, is Jimmy Carter, de negenendertigste president van de Verenigde Staten, van 1977 tot 1981. Zoals de meeste oud-presidenten heeft Carter een naar hem genoemd instituut, waar alle wapenfeiten van de voormalige eerste man van de VS gedocumenteerd zijn. Het Carter Centrum in Atlanta herbergt ook een levensechte kopie van de Oval Room in het Witte Huis.

De man die de pinda een gezicht gaf, gebruikt het centrum als uitvalsbasis voor vredesmissies. Van Haïti tot Bosnië, van Liberia tot Noord-Korea. Rosalynn strijdt vooral tegen geestesziekten. Ook in Atlanta voeren de Carters actie voor betere levensomstandigheden aan de onderkant van de sociale ladder. Ze hoppen niet van de ene party naar de andere om zich als oud-president en former first lady te laten fêteren, maar hebben de rest van hun leven in dienst gesteld van armoedebestrijding en vrede.

Gisteravond, bij Manuel's Tavern om de hoek, hielden de Carters open huis voor de internationale pers. In de lobby van het Ivan Allen III-paviljoen konden de bezoekers op een klein papiertje een vraag formuleren aan Mister President, zoals hij nog steeds wordt genoemd. De voorzitter van de Emory Universiteit, waarvan het Carter Centrum onderdeel is, maakte een selectie uit de ongeveer honderd vragen die schriftelijk aan Carter werden voorgelegd.

Of hij het het prettig vindt dat zijn vrouw hem altijd vergezelt op zijn mondiale vredesmissies. “Dat heeft altijd voordelen”, zegt Carter lachend. “Toen we met de Noordkoreaanse president Kim il-Sung en zijn vrouw met een boot de rivier opgingen, vroeg ik hem of hij als gebaar van goede wil toestemming wilde geven Amerikaanse militairen te mogen opgraven. Die zijn daar in de Koreaanse oorlog door onze eigen mensen begraven. Hij wilde dat overwegen. Toen zeiden de vrouwen, nee, do it now. Waarop Kim il-Sung zei: Goed, dat gaan we doen.”

Aan de vooravond van de Spelen gaat er geen dag voorbij of Carter treft in Atlanta wereldleiders. Vanavond staat een receptie met Clinton op het programma. “Politici kunnen hier lessen trekken uit de Olympische Spelen. Over hoe mensen in harmonie kunnen werken.” Carter is blij dat Noord-Korea meedoet en dat Palestina voor het eerst op de Spelen verschijnt. “Dat draagt bij aan de vrede.”

Dat Noord-Korea tot de deelnemende landen behoort is mede aan hem te danken, zegt Carter. Twee jaar geleden bezochten hij het communistische bolwerk, dat in ernstige onmin leeft met het westers georiënteerde Zuid-Korea. Lang na zijn bezoek stuurde Carter een brief naar de zoon van de overleden Kim il-Sung. “Een paar dagen later maakte Noord-Korea bekend naar de Olympische Spelen te gaan.”

De parate kennis die Carter met een vanzelfsprekendheid tentoonspreidt, is indrukwekkend. Waar Ronald Reagan tijdens zijn presidentschap meer dan eens zaken door elkaar haalde, is Carter vijftien jaar na zijn presidentschap één en al helderheid. Als de dag van gisteren haalt hij de boycot van de Olympische Spelen in Moskou op, in 1980. “In december 1979 vielen de Russen Afghanistan binnen. Daarmee schonden ze de souvereiniteit van dat land. Ze dreigden ook Iran in te gaan en mogelijk Pakistan te veroveren. In januari 1980 heb ik het Internationaal Olympisch Comité gevraagd de Olympische Spelen te verplaatsen naar Griekenland.” Het Amerikaans Olympisch Comité stemde in april unaniem voor verplaatsing van de Spelen. Toen dat onhaalbaar bleek, besloot het comité geen atleten naar Moskou te sturen. Een maatregel die werd gesteund door Congres en Senaat en door 61 landen werd nagevolgd.

“It was a tragic event”, zegt Carter. De oud-president beschouwt die periode als een van de zwartste uit zijn ambtsperiode. “Mijn droom is dat dit nooit meer gebeurt, dat gastlanden van de Spelen nooit meer andere landen binnenvallen en onderwerpen. Het was een tragische misdaad.”

Over de Spelen in Atlanta is Carter optimistisch. “Dit worden de meest succesvolle, meest spannende, meest fascinerende en meest dankbare Spelen. Atlanta will not fail.”