De huid van de beer

De markt voor moderne kunst dankt haar ontstaan mede aan het vermetele optreden van een groep speculanten. Op 24 februari 1904 werd in Parijs een consortium opgericht om te zien of er met de nieuwste kunst iets te verdienen viel. De bedenker van het plan, de hogere financiële beamte André Level, bracht hiertoe twaalf familieleden en vrienden bij elkaar.

De dertien spraken af, tien jaar lang jaarlijks 2.750 franc uit te geven aan recente schilderijen en tekeningen en dan alles te verkopen. Zij noemden dit onderonsje La Peau de l'Ours - de huid van de beer, een ironische toespeling op een fabel van La Fontaine, waarin twee vrienden in de problemen raken omdat ze de huid van een beer verkopen nog voordat het beest geschoten is.

La Peau de l'Ours kocht stukken waar op dat moment vrijwel geen vraag naar was. Het noodlijdende galerietje van Berthe Weill in Parijs was het enige dat gespecialiseerd was in de kunst van de nieuwe eeuw. Picasso en Matisse waren blij als iemand 100 franc gaf voor een schilderij. In de zomer van 1903 probeerde Matisse tevergeefs een groep verzamelaars bijeen te brengen die jaarlijks voor 2400 franc 24 doeken van hem zouden afnemen.

De twintig schilderijen die Picasso in 1906 aan de kunsthandelaar Ambroise Vollard verkocht, leverden hem krap 2000 franc op.

De aankopen van La Peau de l'Ours brachten daar verandering in. Het bleef niet onopgemerkt dat de groep zich interesseerde voor de Fauves, de Nabis en de kubisten. Hun marktwaarde steeg zo sterk dat het consortium na 1910 genoegen moest nemen met werk van mindere meesters. Level concentreerde zich daardoor liever op het voorbereiden van de voorgenomen verkoop en het oppoetsen van de reputatie van de schilders van wie de groep werk bezat. De speculanten besloten tot een openbare verkoping in het veilinghuis Drouot enzagen kans de fraaiste zalen te reserveren voor dit evenement. Zij lieten een luxe catalogus drukken en mobiliseerden al hun contacten bij de pers. Op 2 maart 1914 zat de zaal vol met het puikje van de Parijse kunstwereld.

Het resultaat was indrukwekkend. De 145 kavels brachten samen 116.545 franc op, meer dan viermaal het geïnvesteerde bedrag. Het topstuk, Picasso's Circusfamilie, in 1908 gekocht voor 1000 franc, werd voor 12.650 afgeslagen. De waarde van moderne kunst stond door het succes van deze veiling voortaan buiten kijf. Dat de leden van het consortium de prijzen opdreven door zelf mee te bieden, deed aan dit effect niets af.

Het onverbloemde winstbejag van La Peau de l'Ours weerhield de leden er niet van, de kunstenaars twintig procent van de winst uit te betalen. Zelfs voor Picasso, in 1914 al de meest geslaagde kunstenaar van de groep, bedroeg deze meevaller 17 procent van zijn verdiensten voor dat jaar.

Helemaal beneden, in het souterrain, stapte La Peau de l'Ours in de lift van een kleine manipuleerbare markt met groeimogelijkheden, en daarin wist men foutloos te manoeuvreren. Dit leverde een aanzienlijke winst op. In feite roomde de groep de markt af, want haar investering bracht een hoger jaarrendement - wel 25 procent - dan latere eigenaren van dezelfde kunstwerken realiseerden. Van de stukken uit de veiling waarvan men dit heeft kunnen nagaan, is de waarde na 1914 niet meer gestegen dan zo'n 7 à 8 procent. Of de kunstenaars ook mee mochten delen in deze bescheiden winst is de vraag.

Wat er verder ook bijgedragen heeft aan de opkomst van het modernisme, een slimme manipulatie van de markt heeft de beweging geen kwaad gedaan.

Zie ook Michael Cowan Fitzgerald in Art in America, februari 1992.

    • Gary Schwartz