De berg geeft rooksignalen; Verstilde roman van György Konrád

György Konrád: De stenen klok. Vertaling: Henry Kammer. Uitg. Van Gennep, 464 blz. Prijs ƒ 49,90.

Dit getuigt van de meesterproef: een boek schrijven van een kleine vijfhonderd bladzijden waarin slechts een gering aantal personages optreedt. Bovendien is de handeling gereduceerd tot het minimale.

Een man, de schrijver en filosoof János Dragomán, bezoekt na vele jaren zijn geboortestad Kandor, een stad met stijlvolle pleinen waaraan cafés en koffiehuizen liggen in Oost-Europa. Hij drinkt zijn koffie, staart door de ramen van een van de etablissementen naar buiten, overweegt zijn leven. Hij is beroemd. Hij knoopt vriendschaps- en liefdesverhoudingen aan, maar blijft ongrijpbaar. Per toeval doodt hij, helemaal aan het slot, als in een coup de théâtre, de rector professor van de plaatselijke universiteit. De stad staat op stelten. Dragomán zet zijn zwervende leven voort.

Onmiskenbaar is dit boek met de titel De stenen klok van de Hongaarse schrijver György Konrád (1933). Evenals in eerdere boeken die samenhangen met dit laatstverschenen werk, Melinda en Dragomán en vooral Tuinfeest, overheerst hier een losse structuur. Konrád beschikt over de zeldzame gave om aan ogenschijnlijk incidentele gebeurtenissen, waarnemingen en beschouwingen uiteindelijk een dwingende structuur te geven. Hij weidt uit, bewandelt zijpaden, laat de verhaallijnen meanderen als een rivier, en keert telkens daar terug waar hij zijn personages en dus zijn lezer wil hebben.

Hij is de minst luidruchtige schrijver die ik ken; zijn stijl is gaaf, verstild, vertellend, er zijn weinig beelden of vergelijkingen, ze is gespeend van elke barok. De reden daarvan zou kunnen zijn dat er zo'n immense tragiek achter zijn oeuvre schuilt, dat elk opsierend woord overbodig maakt. Ook de onlangs overleden schrijver G.L. Durlacher schreef met die zuivere precisie; beiden overleefden de Tweede Wereldoorlog, beiden van joodse afkomst.

Voor Konrád voegden de na-oorlogse jaren een even grote dreiging aan zijn leven toe als de oorlogstijd zelf. Na de inval van de Russen in 1956 in Hongarije verzette hij zich tegen het stalinistisch regime. Hij deed dat in geschrifte en publiceerde zijn werk bij ondergrondse samizdat-uitgeverijen, zoals Tuinfeest uit 1985. Zijn oppositie leidde tot geheime telefoontjes, een plaats op de zwarte lijst, de aankondiging per brief dat hij morgen 'dood' zou zijn. Maar Konráds geest, en die van zijn personages, leefde voort; daar kon bij wijze van spreken geen geladen pistool tegenop.

Op het punt waar doodsdreiging en geesteskracht elkaar ontmoeten, speelt De stenen klok zich af. Boven de stad Kandor verheft zich een bergtop van vulkanische oorsprong, waaruit een dunne rooksliert opstijgt. Het door de bewoners gerespecteerde signaal dat deze berg hiermee geeft, vormt het dragende symbool van de roman. Konrád schrijft: 'Wie deze stad bezoekt, raakt voorgoed in de ban van de tijdsaanduidingen van deze stenen klok met haar subtiele rooksignalen.' Helemaal aan het eind van het boek refereert de schrijver opnieuw aan de klok, ditmaal in de vorm van een dagboekaantekening van Dragomán: 'In de gestolde tijd van de Stenen Klok schrompelt mijn gespartel ineen tot enkele bewegingen, totdat er tenslotte alleen een schaduwbeeld overblijft en daarna een stip, die de eigenschap heeft te kunnen verdwijnen. Reductie door afstand te nemen is een vaak door mij toegepaste methode, maar ik ben niet goed in staat om het beeld van de toekomst uit mijn denken te elimineren (-). Als er echter geen toekomst meer is en het heden niet kan worden gecorrigeerd, als alles blijft zoals het is, als de gebeurtenissen van het huidige moment niet die van de voorgaande wijzigen, is elk moment een afgerond geheel.'

Dragomán is doordrenkt van de gedachte dat zijn leven elk moment kan eindigen en dat zijn bestaan een vluchtig moment is in de reeks van miljarden vluchtige ogenblikken. Chronologie bestaat niet voor hem. Deze opvatting, die tevens een romantechnische optiek verraadt, maakt het voor de schrijver mogelijk te jongleren met heden en verleden. Dat geeft aan De stenen klok, ondanks de zwaarte van de titel, een superieur-lichte toon. Alinea's over de Russische inval van 1956 staan pal naast herinneringen aan Dragománs schooltijd; soms is Dragomán de vertellende ik-figuur van het boek, elders en in weer een andere tijd dient zijn geliefde Melinda zich als 'ik' aan. Voor Konrád is tijdsverloop een verzinsel, sterker nog: een onwaarheid.

De enige waarheid is dat iemand, terugblikkend op zijn leven, daaruit veelbetekenende fragmenten te voorschijn diept. Zo zijn er schitterend beschreven erotische passages, die worden afgewisseld met stukken over de revolutie, een verhandeling over typemachines, ondergrondse kranten en asfalt. Dat onschuldige asfalt van de straten waarover kindervoeten zijn gegaan, geliefden, bussen en auto's, maar ook tanks met hun ratelende kracht.

De sleutel tot deze vorm geeft Konrád keer op keer in het boek zelf, wanneer hij literaire overwegingen vervlecht in de verhaallijn. Zo staat er dat de vraag naar de zin van het leven altijd wordt beantwoord met het verhaal van iemands levensloop. Dat is de kern van Konráds fascinerende werkwijze: vertel iemands levensverhaal, dan beschrijf je indirect de zin van zijn of haar leven.

In het eerste hoofdstuk, 'Op doorreis', geeft Konrád mooi aan dat Dragomán een man is die elk welbewust doel, elke dwang van agenda of maatschappelijke orde heeft overwonnen. Hij is een eeuwig onafhankelijke. Langzaam komt de lezer er achter dat hij feitelijk op de vlucht is voor de militaire politie: een nekschot, zoals een van zijn vrienden overkwam, en het is gedaan. Toch gaat hij, luchtig filsoferend, zijn eigen, heel ongrijpbare weg.

Dat juist hij aan het slot, in een moment van verwarring, de professor rector Kuno Abo van de Kandoriaanse Academie een duw geeft, waarna deze achterover valt en doodgaat, is een sterk voorbeeld van de onverwachte wisselingen die het lot kan nemen. Op de vlucht voor de dood zijn, ligt dicht bij het veroorzaken van iemands dood.

Toch moest dit verrassend slot het eindbeeld, 'Eindspel' zoals de schrijver het laatste hoofdstuk noemt, worden van deze roman, even precies door Henry Kammer vertaald als Konráds proza is: want János Dragomán heeft met zijn bespiegelingen over de leugen van het chronologische tijdsverloop de Kandorianen flink in verwarring gebracht. Gisteren kan evengoed vandaag zijn als morgen. Hij is de verpersoonlijking van die berg, 'de stenen klok', want hij zet, net als die klok van steen en rook, de wereld op zijn kop. Dat is angstwekkend. Over de angst die ontstaat wanneer iemand de greep op zijn leven verliest, gaat deze onthutsende roman. 'Het is een wonder dat de mensen elke morgen opstaan', schrijft Konrád ergens. Voor wie over dat wonder gaat nadenken, geldt dat de hele wereld een en al raadsel en vraagteken is. Met uiterste concentratie legt de schrijver die raadsels onder de loep, en beschrijft wat hij ziet - met compassie en innemende verbazing.