Birma niet enige dictatuur in regio

RANGOON, 19 JULI. In Birma zetelt een van de oudste militaire regimes ter wereld, het leger is er al sinds 1962 onafgebroken aan de macht. Niet zozeer de schending van de mensenrechten als wel het jarenlang zelfgekozen isolement bezorgde de junta tussen 1962 en 1988 een reputatie van esoterie.

Waar andere autoritair geregeerde landen in de regio op economisch terrein de teugels vierden, hield het Birmese leger tot acht jaar geleden vast aan zijn centraal geleide 'weg naar het socialisme'. Pas een bijna gelukte volkopstand, in 1988, deed de junta besluiten voor een markteconomie te kiezen. Is het militaire bewind in Birma slechter dan andere autoritaire regeringen in de regio? Een vergelijking.

In China bestaat sinds 1949 een communistische dictatuur. Ondanks de economische hervormingen, sinds het begin van de jaren tachtig, is zelfs van de geringste democratische vrijheid geen sprake. Indonesië kent sinds 1965 militaire deelname aan de regering. Met name tussen 1965 en 1970 werden enige honderdduizenden politieke tegenstanders (voornamelijk communisten) om het leven gebracht, terwijl nog eens duizenden voor jaren werden opgesloten. President Soeharto liet in zijn orde baru (nieuwe orde) weliswaar enkele oppositiepartijen toe, maar deze staan onder zware controle van het bewind. Van een vrije oppositie is absoluut geen sprake.

Ook andere landen in de regio hebben een discutabele staat van dienst als het om democratie gaat. Vietnam en Laos: communistische dictaturen; Thailand: grote invloed van het leger op de politiek; Singapore en Maleisië: oppositie getolereerd, maar vaak lastiggevallen door de overheid. De ironie wil dat juist de Aziatische landen waar wel al langere tijd een democratisch systeem is zoals India en de Filippijnen (tussen 1973 en 1986 was dit wel een dictatuur), economisch het zwakst staan. Daar staan twee voorbeelden tegenover van landen waar generaals eerst zorgden voor een sterke economie om daarna plaats te maken voor democratisch gekozen regeringen: Zuid-Korea en Taiwan.

Tellen we de aantallen doden ten gevolge van politieke onderdrukking in Oost- en Zuidoost-Azië gedurende de afgelopen dertig jaar dan staat China bovenaan, gevolgd door Indonesië. Het aantal slachtoffers van de junta in Birma valt daarbij in het niet. Alleen in 1988, bij het onderdrukken van de vreedzame volksopstand, vielen naar schatting tussen de 2.000 en 3.000 doden.

De vrijheid van de oppositie in Birma is zeker groter dan die in China en Vietnam, waar georganiseerde partijen naast de communistische strikt zijn verboden. De Nationale Liga voor Democratie van Aung San Suu Kyi heeft een bewegingsruimte waar dissidenten in China en Vietnam alleen maar van kunnen dromen. Tot nu toe stonden de twee partijen, de militaire Staatsraad voor Orde en Gezag (SLORC) en Aung San Suu Kyi's Liga, diametraal tegenover elkaar. De SLORC heeft de macht, terwijl een grote meerderheid van de Birmezen het morele gelijk bij de NLD legt. De oppositiepartij won immers in 1990, tegen de verdrukking in, met grote overmacht de verkiezingen, die door de SLORC vervolgens ongeldig werden verklaard.

Dialoog was een vies woord voor SLORC èn NLD. Het bewind maakte Suu Kyi voortdurend uit voor rotte vis en de oppositieleidster zei op haar beurt vorige week “wel wat anders” aan haar hoofd te hebben dan een dialoog met de SLORC. Daarin lijkt door een brief van Suu Kyi aan de ASEAN waarin ze aandringt op “de goede diensten” van de associatie-leden voor het bevorderen van “nationale verzoening door middel van een dialoog” in Birma, een lichte verandering te zijn gekomen. En ook de junta schuift mogelijk heel voorzichtig een beetje op. De SLORC nodigde Suu Kyi uit voor de jaarlijkse herdenking van de dood van haar vader Aung San, de in 1947 vermoorde held van de Birmese onafhankelijkheid.

Een ander signaal van versoepeling is dat Rangoon het jonge blad Myanmar Business News tolereert - de redactie zetelt in de Filippijnen, maar er is ook een kantoor in Rangoon - dat in tegenstelling tot de officiële pers op objectieve wijze over zowel regering als oppositie schrijft. Het juli-nummer bevat een verslag van het congres van de NLD. In een commentaar daarop schrijft het blad: “Het is tijd voor een compromis. De NLD-leiding moet ophouden met het alleen maar bekritiseren van de SLORC, terwijl de SLORC op haar beurt de NLD en Suu Kyi werkelijk moet betrekken bij de besluitvorming. Beide zijden moeten de Aziatische geschiedenis goed bestuderen. De onverzoenlijken falen meestal.”

Westerse diplomaten in Bangkok roemen de moed en intelligentie van Aung San Suu Kyi maar ze vragen zich af of haar economische opvattingen levensvatbaar zijn. Suu Kyi zegt een voorstander van de markteconomie te zijn, net als de SLORC, maar ze beticht de junta van een te grote verwevenheid met de economie en het maken van verkeerde keuzes, onder andere door het stimuleren van de dienstensector. Maar in de succesvolle Aziatische landen had het leger steeds grote invloed op de economie. Het is ook de vraag of Suu Kyi al haar linkse (communistische) adviseurs van vroeger inmiddels de deur heeft gewezen. En Suu Kyi mag de komst van buitenlands bier, discotheken en andere geneugten van het “consumptiekapitalisme voor het volk” als ongewenst beschouwen, de Birmese jongeren vinden dat overduidelijk niet.

Myanmar Business News legt nog een ander zwak punt van Suu Kyi bloot: ze onderschat het etnische vraagstuk. Het land zou in stukken uiteen kunnen vallen als een sterk centraal gezag ontbreekt. Aung San Suu Kyi heeft steeds bestreden dat Birma, waar verscheidene etnische guerrillabewegingen al meer dan vijftig jaar actief zijn, desintegratie boven het hoofd hangt als de teugels worden gevierd. Juist de militaire dictatuur heeft geleid tot etnische rebellie, redeneert ze. Feit is evenwel dat het verzet van de vele etnische minderheden tegen Rangoon dateert van ruim vóór de vestiging van de militaire dictatuur in 1962. In haar bezweringsformules zegt Suu Kyi dat “niemand zich wil afscheiden van de Unie van Birma”. Belangrijke stromingen onder de Karen- en Shan-minderheden willen juist niets liever dan dat. Het Birmese leger, dat hoofdzakelijk bestaat uit militairen van de overheersende etnische groep, de Birmanen (70 procent van de bevolking), wist de afgelopen jaren de ene na de andere verzetsbeweging uit te schakelen. Met vrijwel alle etnische guerrillagroepen is inmiddels een staakt-het-vuren overeengekomen.

Birma is een broos amalgaam van deelstaten en 'koninkrijkjes'. Warlords en opiumhandelaren, die aan democratie een broertje dood hebben, maken er de dienst uit. De SLORC is in dit onoverzichtelijk geheel de enige constante factor. Een eventuele regering van de NLD zou aan het bijeenhouden van de Unie van Birma grote moeite hebben. Het invoeren van democratie zou voor menige warlord gelijk staan met “nu kunnen we weer onze eigen gang gaan”.