'Werkloosheid is vraagstuk van verdeling geld én werk'

Vijf jaar was hij Nederlands ambassadeur bij wat gemakshalve de Club van rijke industrielanden wordt genoemd, de OESO, waar 27 landen die 80 procent van de wereldproduktie voor hun rekening nemen op breed terrein van de economie afspraken maken en inzichten delen. Nu ambassadeur dr. F. van Dam deze week afscheid van Parijs heeft genomen - hij wordt 65 - constateert hij dat Nederland er voor een koopje uiterst nuttig advies krijgt, ook al volgt men wel eens te lang de conventionele wijsheid. De laatste tijd bijvoorbeeld bij de 'strijd tegen de werkloosheid'.

Men kijkt in de meeste landen en ook hier bij de OESO meestal naar een beperkt werkloosheidscijfer, dus alleen naar het aantal mensen dat actief werk zoekt, om vast te stellen hoe ernstig de situatie is”, zegt ambassadeur Van Dam. “Van meer belang is het aantal mensen van 15 tot 64 jaar dat werkt. Als je daar op let, zie je dat voor het gemiddelde van alle 27 OESO-landen al decennia lang geldt dat 66 procent werkt, en 34 procent niet. Voor Nederland is die verhouding altijd wat ongunstiger: bij ons werkt ongeveer 61 procent. Het CBS-cijfer van mensen die formeel als werkloze staan ingeschreven lijkt goed, maar de echte arbeidsparticipatie is veel slechter.

“De tweede factor van belang is de daling van het aantal uren dat mensen met een baan werken. Dat vormt een neerwaartse lijn. In 1900 werkte men 3.000 uur per jaar en nu nog 1.500 uur. Kortom: het deel van de mensen dat werkt is ongeveer constant, het aantal uren dat zij werken is gehalveerd en is steeds verder dalende. Als je die twee gegevens op je laat inwerken, zie je dat er niets nieuws aan de hand is, en dat het een Don Quichotte-strijd is die curves te willen bijbuigen.

“Men heeft opeens het gevoel dat er een enorm werkloosheidsprobleem is, maar het verschijnsel is allang gaande. De grote verschuiving zit in wie de kosten van de werkloosheid opvangt. Vroeger waren dat families, kerken en dergelijke verbanden. Nu komt alles neer op de staat. Je kunt je afvragen of je dàt verschijnsel kan wegnemen. Men probeert oplossingen te vinden door werk te scheppen. Maar dat is de realiteit ontkennen.

“Bedrijven kunnen het met steeds minder mensen stellen. Kijk naar het kantoor hier: moeten brieven weer met carbon worden getikt, moet de fax er weer uit om de posterijen werk te geven? Alle verslagen van vergaderingen van de 200 OESO-commissies kwamen vroeger op papier binnen, waarna wij ze weer over de ministeries in Den Haag distribueerden. Nu zijn die verslagen on line te raadplegen. Het werk stroomt weg. Het is een illusie te denken dat de dienstensector uitkomst biedt: die begint pas te automatiseren, kijk naar de banken.

“Het is in feite een verdelingsvraagstuk, van geld èn van werk. Dat is een heel andere optiek, waar we ook hier bij de OESO nog niet helemaal aan toe zijn. Zo'n onderwerp wordt in de meeste lidstaten buiten de discussie geplaatst. De echte vraag is: hoe lossen we 't financieel en qua verdeling van werk op? Die discussie is moeilijk op gang te krijgen als men de afnemende vraag naar arbeid ervaart als een ding dat bestreden kan worden. Dat is een tragisch misverstand.”

Van Dams observaties na vijf jaar OESO-werk doen denken aan zijn enigszins apocriefe gedachten over het nut van ontwikkelingshulp. Hij sprak als gasthoogleraar over 'De Derde Wereld als verdichtsel' (1988) en hield de ontwikkelingshulp-pretentie tegen het licht, bijvoorbeeld in 1994 in een lezing op het Instituut Clingendael. Als plaatsvervangend directeur-generaal internationale samenwerking, voorzitter van de Commissie ontwikkelingssamenwerking Nederland-Suriname en bewindvoerder bij de Wereldbank was hij er intensief bij betrokken. Om op den duur vast te stellen dat klassieke projecthulp, voortkomend uit een complexe en paradoxale relatie, vaak zijn doel mist. Een wirwar van nobele èn post-koloniale motieven laat de meeste ontwikkelingsprojecten mislukken.

Van Dam: “Jaren heeft men niet gevraagd of het goed was wat we deden, maar hoeveel we gaven. De hulpverlening loopt thans qua netto omvang snel terug als reactie op de mislukte projecthulp. Als je kijkt naar de VN-cijfers over de periode '84 tot '94, dan zie je dat de netto overdrachten van rijke naar arme landen afgenomen zijn van 25 miljard naar 6 miljard dollar. De hulp neemt geleidelijk af, maar van veel meer belang is de groei van de rentebetalingen door de ontwikkelingslanden. Het is nuttig de realiteit van dergelijke verschijnselen naar voren te halen, zoals nu bijvoorbeeld met het werkloosheidsvraagstuk. Dat kan voorkomen dat je allerlei acties gaat ondernemen die geen zin hebben.”

Zijn sceptische kijk op geaccepteerde wijsheden belet ambassadeur Van Dam niet een positief oordeel over de OESO te vellen, ook al is het werk in de top anderhalf jaar verlamd geweest doordat Parijs en Washington het niet eens konden worden over een nieuwe secretaris-generaal. Steunend op een zeer professioneel secretariaat werken de lidstaten er gestaag aan de 'architectuur van de internationale economie'. Het voordeel is in Van Dams ogen dat door het ontbreken van politieke pressie de werkzaamheden niet worden verengd tot onderhandelingen ten bate van het directe nationaal eigenbelang.

“Hier worden afspraken gemaakt over het te voeren economisch beleid. Bovendien toetst men de nationale economieën, en sinds enige tijd ook het nationaal beleid inzake milieu en energie. Na de Tweede Wereldoorlog ging het vooral om wederopbouw, later de Koude Oorlog, de oliecrisis, na de val van de Muur: de integratie van de ex-communistische landen. Daar is nog veel werk voor te doen. Tegelijk komt men nu toe aan de interne problemen van de lidstaten, onderwijs, gezondheidszorg, sociale stelsels. Of: de problemen met pensioensysteem waar veel landen mee kampen. Zij kunnen hier vergelijken hoe Japan dat aanpakt.”

Voor Nederland zijn de 9 miljoen gulden die het lidmaatschap jaarlijks kost 'geen geld'. Niet alleen is het jaarlijks doorlichten van de Nederlandse economie een 'onmisbare bijdrage' tot een verstandig beleid. Op allerlei terreinen profiteert het land van gespecialiseerde OESO-activiteiten. Van Dam: “Van oudsher maakten de ministeries van Financiën en Economische Zaken veel gebruik van de OESO. Nu zijn onderwijs, sociale zaken en welzijn ook steeds meer betrokken bij dit werk. Het hangt van de vitaliteit van een ministerie af hoe veel het daar van profiteert. Het mislukken van het plan-Simons/Dekker voor de gezondheidszorg had voorkomen kunnen worden als men op tijd had gekeken hoe andere landen met die problemen omgaan. Hier is een bureau dat dat allemaal volgt.

“Er is een hoop quasi-verstandigheid in omloop, waar de OESO tracht doorheen te kijken. Daar doet Nederland intensief aan mee. In het najaar wordt een conferentie gehouden over sociale systemen, waar minister Melkert voorzitter van is. Nederland doet ook als voorzitter mee aan pogingen een multilateraal investerings-akkoord tot stand te brengen, en om in de Mega Science-groep grote wetenschappelijke onderzoeksprojecten internationaal te verdelen. Dat kan heel veel geld besparen.”

Van Dam stelt vast dat over het vele werk van de OESO 'niet zo aan de weg wordt getimmerd', maar als het aan hem ligt wordt de OESO niet snel overschat. De aanhoudende Amerikaanse begrotingskortingen op dit soort organisaties leveren blijvende problemen op; Washington kortte dit jaar 'maar' 2,5 procent - veel bij een land dat 25 procent van de OESO-begroting draagt.

Een even nijpend probleem is de roep van ex-ontwikkelings- en ex-oostbloklanden om lid te mogen worden. Van Dam: “Met veertig of vijftig leden verniel je de OESO. Dan kunnen ministers ieder nog maar twee minuten praten, daar komen ze niet meer voor, dan verlies je het open uitwisselingskarakter. Landen weigeren is ook ondenkbaar. Je kan om iets te noemen niet over economie praten zonder de Zuidoostaziatische landen.” De enige oplossing ziet de vertrekkende ambassadeur in een IMF-achtige oplossing. “Je zou aan tafel moeten zitten met de 20 à 24 grootste economieën. Daar zit Nederland bij. Als, om iets te noemen, Luxemburg mee wil doen, dan zouden zij zich kunnen aansluiten bij een kiesgroep Nederland.

“De enige internationale economische organisaties die werken zijn de Wereldbank, het Internationaal Monetair Fonds, de OESO en 'hopelijk' de nieuwe Wereld Handelsorganisatie (WTO). Het zijn de werkpaarden van de internationale economie. Dat moeten we zo houden.”

Eén van de laatste inzichten die Van Dam op zijn economische uitkijkpost heeft opgedaan is de twijfel aan het begrip 'globalisering': “Het eind van de globalisering van de economie komt in zicht, dat maak je hier mee. Je ziet dat arbeidsprocessen steeds minder arbeidsintensief worden, terwijl de factor kapitaal steeds mobieler wordt. Arbeidskosten hebben steeds minder invloed op de plaats van produktie. Ook al is de globalisering nooit helder gedefinieerd, het verschijnsel lijkt over zijn hoogtepunt heen te raken. Fabrieken kan je overal neerzetten. Als arbeidskosten geen doorslaggevende factor meer zijn, dan wil je dicht bij je markt staan. De Nederlandse textiel begint weer terug te komen naar Nederland. Er zijn ook auteurs die zeggen dat de globalisering steeds heeft plaatsgevonden. In de zeventiende eeuw liepen in Nederland drie schepen per dag van stapel. Toen waren we veel meer naar buiten georiënteerd dan nu.”