Waar blijft het bewijs voor genocide in Srebrenica ?

Opgravingen bij Srebrenica lijken te bevestigen dat daar genocide heeft plaatsgehad op de moslim-bevolking. Maar hoeveel bewijs is daar eigenlijk van? Volgens René Grémaux en Abe de Vries niet voldoende om vergaande conclusies te trekken.

Binnendruppelende onderzoeksresultaten van de opgravingen bij Srebrenica lijken te bevestigen wat al een jaar wordt gevreesd: Serviërs hebben vluchtende mannelijke moslim-burgers en masse geëxecuteerd. Bij Cerska vonden onderzoekers van het Joegoslavië-tribunaal onlangs meer dan tachtig slachtoffers, sommigen met de handen nog vastgebonden en in burgerkleren. “Het lijkt om burgers te gaan”, zei een woordvoerder van het onderzoeksteam afgelopen zaterdag in het journaal.

Nu ontkent vrijwel niemand dat in en bij Srebrenica executies hebben plaatsgevonden. Maar vormen degenen die een dergelijke dood zijn gestorven ook de meerderheid van alle 6.000 als vermist opgegeven moslims, zoals alom wordt gesuggereerd? En is iedere dode die zonder uniform en wapens wordt aangetroffen echt een 'burger'? Krachtens een maatregel van de moslim-leiding waren alle mannen in Srebrenica tussen 17 en 60 jaar dienstplichtig en was het hun uitdrukkelijk verboden zich over te geven. Velen hadden niet de beschikking over een uniform of herkenningsplaatje.

Bij alle aandacht voor het noodzakelijke opgravingswerk van het tribunaal worden dergelijke complicaties gemakkelijk uit het oog verloren. Dat is onterecht, want de getuigenverklaringen van de eerste tien dagen na de val spreken van paniek, mijnen en bloedige gevechten, niet van massa-executies. Belangrijker nog, deze verklaringen komen heel wat geloofwaardiger over dan de meer dan een week later opgedoken, maar nog steeds niet bevestigde vermoedens van grootschalige massamoord.

In de nacht van 10 op 11 juli verliet een grote groep militairen en een kleiner aantal ongewapende dienstplichtigen Srebrenica, om in het noordwesten aansluiting te zoeken bij het Bosnische regeringsleger. De mannen weigerden zich over te geven en werden daarom door de Serviërs als vijanden beschouwd. Die hadden met een dunne bezetting twee linies ingericht om contact tussen de twee moslimlegers te voorkomen: de eerste ruwweg langs de lijn Milici-Konjevic Polje-Kravica, de tweede van Zvornik westwaarts. Toen de uit Srebrenica vertrokken moslims op deze linies stootten, is er zwaar gevochten, precies in de gebieden waar nu massagraven worden geopend.

Ter staving een viertal getuigenverklaringen, tussen 17 en 19 juli 1995 in respectabele kranten gepubliceerd. In The Guardian van 17 juli staat het verhaal van Hazim Hrustanovic, een soldaat uit Srebrenica. Toen de moslims, voor het merendeel soldaten, Konjevic Polje bereikten, liepen ze tegen Servische stellingen op en werden ze met geweervuur besproeid. “Het was een complete chaos en iedereen begon te lopen voor zijn leven (...)”, zegt Hrustanovic. Hij vluchtte de bossen in en trok verder. De volgende dag zag hij een dorpje dat met granaten beschoten werd, een paar honderd meter van hem vandaan. “Toen realiseerde ik me dat er Servische loopgraven voor me lagen, met soldaten die met zware machinegeweren vuurden en mortieren afschoten”.

Bart Rijs in De Volkskrant van dezelfde dag: “Maar de vluchtelingen in Tuzla spreken over tientallen, soms honderden lijken die in de velden en langs de wegen zouden liggen. Toen de Serviërs het stadje Srebrenica maandag dreigden in te nemen, vluchtten veel mensen naar de bossen, in de hoop op de een of andere manier moslim-gebied te bereiken. Servische granaten zouden veel slachtoffers hebben gemaakt onder de vluchtenden.”

Coen van Zwol in NRC Handelsblad, 18 juli: “Mehmet, een blonde broodmagere soldaat, heeft een helletocht van zes dagen achter de rug. Dinsdagavond, toen de Serviërs Srebrenica hadden ingenomen, trok hij met een lange stoet burgers en militairen de bossen in, vooral mannen, in het kielzog van drie- tot vierduizend soldaten van de regeringstroepen, met minder dan duizend geweren. 'In het begin was de colonne zes kilometer lang', zegt Mehmet. 'De groep is in tweeën gesplitst toen we de grote weg naar Zvornik overstaken en de Serviërs kwamen aanrijden met pantserwagens. Vierduizend mensen stonden toen aan de verkeerde kant van de weg en hebben zich in de bossen verspreid.”

En Julian Borger in De Volkskrant van 19 juli: “Volgens de overlevenden hebben honderden moslims de dood gevonden bij hun poging Srebrenica te ontvluchten, doordat ze in een Servische hinderlaag liepen of doordat ze omkwamen van de honger. Anderen zijn, volkomen in de war van angst en honger in de bossen verdwenen (...). Desondanks liep de groep twee keer in een Servische hinderlaag. Omer Ibrahimovic (43): 'Ze wachtten tot we door een dal liepen en openden het vuur. Ik weet niet hoeveel doden er zijn gevallen. De groep werd in tweeën gesplitst.”

Borger vervolgt: “De verrassingsaanval vond woensdagavond plaats vlakbij Kravica, een dorpje in de buurt van Konjevic Polje dat de Serviërs in handen hadden. De tweede aanval was ten westen van Zvornik, aan de Servische grens. Volgens de Bosnische Serviërs hebben de gevechten met de zich terugtrekkende moslims de Servische commandanten genoopt troepen weg te halen bij Zepa om Zvornik te verdedigen. Na de tweede schermutseling zouden de aanvoerders hebben besloten de moslims door te laten, zodat de Servische soldaten weer konden worden ingezet bij Zepa.” Deze verklaringen met overlevende soldaten kloppen met het relaas van de moslim-arts Ilijas Pilav in Bob van Leeuwens boek Srebrenica: getuigen van een massamoord (Antwerpen; Artsen Zonder Grenzen; 1996). “We liepen rond het dorp Snagovo (zuidwest van Zvornik, red.), waar we hun hinderlaag ontdekten. In plaats van te wachten tot ze ons aanvielen, besloten we met de moed der wanhoop zelf aan te vallen! De list werkte: de tsjetniks waren zo overdonderd dat ze na een kort gevecht in onze handen vielen, samen met hun commandant Jankovic.”

“Op 15 juli om 5 uur passeerden we de asfaltweg tussen Zvornik en Caparde. (...). Met onze Motorola (walkie-talkie, red.) namen we contact op met de Serviërs en probeerden een ruil voor te stellen: commandant Jankovic voor een vrije aftocht door hun linies. (...). We hadden nu iets meer wapens door onze verrassingsaanval op de groep van commandant Jankovic en besloten ons vechtend een weg te banen, nu de tsjetniks hun materiaal nog niet ter plekke hadden.”

De moslims maakten twee tanks buit die ze in stelling brachten tegen Servische tanks, vertelt Pilav. Het gevecht werd opgemerkt door het Bosnische leger ten oosten van Tuzla, dat zich met de strijd ging bemoeien en met beschietingen begon. Zo werden drie Servische tanks buiten gevecht gesteld. Na een lange strijd trokken de Servische troepen zich onverwachts terug, zodat de moslims de grens konden passeren. Pilav: “Het was intussen 16 juli geworden, twee uur 's middags. Ik was een vrij man.”

Wanneer doken de berichten over massa-executies in de pers op? Op 28 juli, twaalf dagen nadat Pilav veilig gebied bereikte, wordt het schokkende verhaal van Smail Hodzic, een 63-jarige boer uit Cerska, door Alexandra Stiglmayer in Die Woche opgetekend.

Enkele dagen later (vlak voordat het door Amerikanen getrainde Kroatische leger begon met de etnische zuivering van meer dan 200.000 Serviërs uit de Krajina) arriveerde de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken, John Shattuck, in Bosnië (NRC Handelsblad, 10 augustus).

Op 9 augustus maakte Shattuck bekend dat er “geloofwaardige verklaringen” waren over massamoord op mannen en jongens uit Srebrenica. Eerder die dag zei ook de CIA over sterke aanwijzingen te beschikken dat de Serviërs misdaden hadden begaan. En op 10 augustus presenteerden de Verenigde Staten luchtfoto's van terreinen bij Nova Kasaba en Konjevic Polje. Daar zouden zich massagraven bevinden met mogelijk 2.700 lijken. Alle moslims zouden zijn geëxecuteerd, volgens Smail Hodzic.

De inconsistentie in de verhalen van Hodzic is al eerder uitgebreid aan de orde geweest (zie De Volkskrant, 10 oktober 1995 en De Groene Amsterdammer, 13 maart 1996). In oktober en november kreeg Hodzic nog gezelschap van Hurem Suljic ('getuige A' van de tribunaalhoorzitting), Mevludin Oric (militair, commandant van een speciale eenheid) en nog enkele getuigen van massa-executies. De plaatsen des onheils die zij aanwijzen en waarover zij elkaar tegenspreken, liggen op of vlakbij de twee confrontatielijnen die hierboven zijn aangeduid: Nova Kasaba, Konjevic Polje, Kravica, Karakaj (of Glumina, of Sahanici). De kans dat op die plaatsen lijken worden aangetroffen is dus groot, maar de vraag hoe de slachtoffers zijn omgekomen blijft. Veel moslims zijn gesneuveld in de paniek, die met de uitbraakpoging gepaard ging, anderen zijn op mijnen gelopen of hebben de hand aan zichzelf geslagen. Verder blijkt uit het Debriefingrapport van de Landmacht dat minstens op twee plaatsen moslims onderling slaags zijn geraakt, en ook Servische bronnen maken hier melding van. Volgens Politika Ekspres van 29 april zouden alleen al in het dorp Buljim, tussen Srebrenica en Konjevic Polje, driehonderd mensen op deze manier zijn omgekomen.

In het artikel worden drie overlevenden geïnterviewd. Een van hen, de 25-jarige Zurijet Mehic, verklaart: “Het leger verliet Srebrenica enkele dagen voordat de Serviërs de stad innamen. Bij het volk was slechts een begeleidend bataljon achtergebleven, onder commando van Ejub Bobic, en toch kwam het bevel dat niemand zich mocht overgeven. Onder de mensen heerste angst, paniek, en zo begonnen ook de onderlinge ruzies en afrekeningen. In het dorp Buljim kwam het tot onderlinge gevechten, mannen doodden elkaar over en weer. Het was een afschuwelijk schouwspel. Het kwam mij voor dat er bij de weg duizenden doden lagen, er ontstond echt chaos.”

Hoeveel aanwijzingen er ook zijn dat er honderden, wellicht duizenden doden bij gevechten zijn gevallen, dat alles betekent nog niet dat de Bosnische Serviërs geen executies hebben uitgevoerd. Het zijn echter de getuigen zelf die het vermoeden van grootscheepse massamoorden met twee- tot drieduizend slachtoffers onaannemelijk maken. Hurem Suljic zegt samen met Smail Hodzic te zijn gevlucht en na drie dagen in Bosnisch gebied aangekomen te zijn, maar Smail Hodzic beweert er elf dagen over gedaan te hebben.Nota bene de meest belastende getuige in de hoorzittingen van het Joegoslavië-tribunaal, de Kroaat Drazen Erdemovic, blijkt zowel voor de Kroaten, de moslims als de Serviërs te hebben gevochten. In Den Haag zei hij plotsklaps niet op 20 juli te hebben deelgenomen aan een bloedbad (zoals verteld aan Le Figaro), maar vier dagen eerder, op 16 juli.

Nogmaals: de Bosnische Serviërs hebben moslims vermoord. De schuldigen moeten worden opgespoord en gestraft. Maar of ze honderden, duizenden onschuldige mensen op een rij hebben gezet, zoals 51 jaar geleden nog gangbaar was? Met het 'bewijsmateriaal' dat nu voorhanden is kan geen enkele zichzelf respecterende aanklager iets beginnen.