Verslaafd aan vleermuizen

Rond middernacht gaan de grootoorvleermuizen van landgoed De Tempel onder de rook van Rotterdam op pad. Overdag schuilen ze in hun slaapboom, een holle oude paardekastanje aan het water. Vleermuisexpert Peter van Dalen schijnt met zijn zaklantaarn over de stam. “Zie je die holle spleet? Daar kruipen ze straks uit.”

Hij heeft het nog niet gezegd of daar verschijnt een bleke schim, die een sierlijk rondje rond de oude stam draait en daarna geruisloos wegschiet, vlak langs ons heen. In een fractie van een seconde is hij verdwenen. Minuten later volgt een tweede en dan nog een derde. Daarna turen we nog een half uur hoopvol omhoog. Het bos ritselt, een boomvalk roept en ook de bosuil is op jacht. Op een paar meter afstand raast het verkeer over de A13 richting Delft. Aan de overkant van de snelweg staan de schijnwerpers van vliegveld Zestienhoven.

De grootoren laten zich niet meer zien. “Het zijn buitengewoon mysterieuze beesten”, zegt Peter van Dalen, die de kolonie hier ontdekte. “De grootoor vliegt door het dichtste struikgewas en jaagt zonder geluid te maken. Ineens zie je die vale schim vlakbij.”

Van Dalen is de stuwende kracht achter de Vereniging voor Natuur- en Milieubescherming Noordrand Rotterdam. In zijn eentje inventariseert hij vogels, planten, vleermuizen enzovoort in de Noordrand van Rotterdam. De resultaten gebruikt hij om zijn protesten tegen de achteruitgang van het landschap te staven. Ook Landgoed De Tempel, ingeklemd tussen de Schie en de snelweg naar Den Haag, heeft hij grondig onderzocht. Het blijkt een waar vleermuizenwalhalla te zijn. Zeven van de negentien soorten vleermuizen die ons land telt zijn present in dit kleine park van 200 bij 400 meter. Daarvan horen Grootoor en Meervleermuis tot de zeldzame Rode-Lijstsoorten. De Tempel is uitgeroepen tot vleermuisreservaat.

's Zomers zit Van Dalen, die naar eigen zeggen 'verslaafd' is aan vleermuizen, soms bij zonsopgang op een krukje en telt de grootoren als ze een voor een hun slaapboom weer binnengaan. Daarbij geven ze een merkwaardig mitrailleurgeluid ten beste. “Soms duurt het wel een uur voordat ze allemaal binnen zijn, ik heb er wel eens dertig geteld. Maar de laatste jaren zijn ze wat wispelturig. Ze verkassen voortdurend en zitten in groepjes van twee of drie dan weer hier, dan weer daar in het bos.”

Een eindje verderop schijnt hij met zijn zaklantaarn in een holle oude es. De boom zit nog dik in het blad, maar binnenin kunnen wel vierhonderd vleermuizen wonen. “Veel essen op dit landgoed lijden aan kankerrot, ze worden langzaam uitgehold. Als je zo'n boom niet meteen omhakt, hebben vogels en vleermuizen er nog jaren plezier van.”

De bat-detector brengt het nachtelijke bos tot leven. Het is een handzaam apparaatje niet groter dan een walkman, dat de hoogfrequente geluidssignalen die de nachtelijke jagers uitzenden voor mensenoren hoorbaar maakt. De lucht blijkt vol vleermuizen. Van alle kanten hoor je ze bliepen boven het water. Elke soort heeft zijn eigen kenmerkende jachtgeluid, waarmee de prooi wordt opgespoord. Het rustige tikje van de ruige dwergvleermuis, die in gebouwen en holle bomen overwintert. De ram-bam-bam van de gewone dwergvleermuis, een zeer snelle vlieger en een van de weinige die ook overdag jagen. Ook de watervleermuizen trekken in troepjes voorbij. Zij jagen boven het water in een vast patroon, een 8, waarbij ze zich oriënteren op overhangende takken langs de oever. Op mooie zomernachten vangen ze hun eigen gewicht aan muggen, nachtvlinders en motjes. Af en toe hoor je ook iets alsof er een naald over een grammofoonplaat krast. Dan hebben ze beet. Op een lagere frequentie ingesteld laat de bat-detector de sociale geluiden horen. Een laag, traag gebonk, dat zoiets betekent als 'Hier ben ik, waar ben jij?'

Op weg naar de meertjes hangen tientallen vleermuizen een hele tijd bij een bruggetje rond. Schuw zijn ze niet, eerder nieuwsgierig. Naarmate het donkerder wordt komen ze steeds dichterbij. “Ze hebben ons al lang gezien en geroken, maar daar trekken ze zich niets van aan”, zegt Van Dalen. Echt zien kunnen vleermuizen niet, ze vormen geen beelden op hun netvlies. Wel registreren ze de lichtintensiteit tamelijk nauwkeurig en daar stemmen ze hun dagritme op af. Ze vinden hun vaste routes door het landschap aan de hand van houtwallen en hoge bomen. In kale, grootschalige landschappen zonder herkenningspunten durven ze niet te komen.

Van Dalen: “Er wordt er wel eens eentje door een boomvalk, een uil of een kat gepakt, maar hun grootste vijand is de mens.” Houtwallen worden gekapt, zolders en kelders met houtverduurzamingsmiddelen bewerkt en landerijen en parken met giftige insecticiden bespoten. Spouwmuren worden dichtgespoten, holle oude bomen omgehakt. In de oude binnenstad verdwijnt heel veel schuilgelegenheid voor vleermuizen door stadsrenovatie. “Je wordt wel eens droevig door al die achteruitgang”, zegt Van Dalen. “Aan de andere kant gebeurt er ook steeds meer om vleermuizen te beschermen. Die nestkastjes van houtbeton, daar zijn ze gek op. We hebben er hier tien in de omgeving opgehangen langs bekende aanvliegroutes. Altijd twee bij elkaar, want ze houden van boompje verwisselen. Na twee maanden waren al twee kastjes door ruige dwergvleermuizen bezet.”

Op verzoek adviseert Van Dalen particulieren over het ophangen van vleermuiskasten. 's Winters houdt hij er een vleermuisasiel op na. Regelmatig bellen mensen die een verdwaalde, paniekerige, in zijn winterslaap gestoorde vleermuis op zolder of in een schoolgebouw hebben ontdekt. Van Dalen zet dan een bakje schoon drinkwater in de kelder van zijn flat en brengt de dieren daar onder. Als het weer niet te guur is, een graad of acht, neemt hij zijn beschermelingen mee naar buiten en stopt ze liefdevol in een holle oude boom.

Vereniging voor Natuur- en Milieubescherming Noordrand Rotterdam. Tel. 010-4188467.

    • Marion de Boo