'Politiek is verantwoordelijk voor VN-operaties'

In april 1994 werden tien Belgische blauwhelmen in Rwanda vermoord door het regeringsleger. Het Belgische Krijgshof zuiverde hun bevelhebber, kolonel Luc Marchal, onlangs van elke blaam voor de slachtpartij. Volgens Marchal is niet het leger maar de politiek verantwoordelijk voor VN-operaties “in Rwanda, maar ook in Srebrenica”.

BRUSSEL, 18 JULI. Een groene baret, een handdoek en een sweatshirt aan de kapstok. Daaronder staan een paar sportschoenen. De werkkamer van kolonel Luc Marchal, stafchef van het Intermachten Territoriaal Commando van het Belgische leger en onlangs door het Belgische Krijgshof vrijgesproken van 'onopzettelijke doding door gebrek aan voorzichtigheid'.

Op 7 april 1994 werden in de Rwandese hoofdstad, Kigali, tien Belgische blauwhelmen gevangengenomen en vermoord door Rwandese soldaten. In de dagen daarna begon het tot de buitenwereld door te dringen dat een volkerenmoord in gang werd gezet onder vooral de Tutsi's in het land. Toen de werkelijke omvang van de Rwandese genocide duidelijk werd, hadden de meeste VN-blauwhelmen die toezicht hielden op uitvoering van de zogeheten Arusha-vredesakkoorden, het land al verlaten.

Kolonel Marchal werd de afgelopen twee jaar elke dag herinnerd aan die fatale datum in april. Als bevelhebber van de VN-troepen in Kigali en als rechterhand van het Canadese hoofd van de VN-missie in Rwanda, Dallaire, had hij de para's opdracht gegeven de Rwandese premier, Agathe Uwilingiyimana, te begeleiden naar Radio Rwanda waar ze de bevolking zou toespreken en tot kalmte zou manen na de moordaanslag de avond ervoor op president Habyarimana. Volgens de aanklager bij het militaire gerechtshof in Brussel stelde Marchal zijn landgenoten daarmee bloot aan onnodige risico's.

Twee weken geleden verwierp het Krijgshof alle beschuldigingen en werd Marchal van alle blaam gezuiverd. Hij is opgelucht maar niet opgetogen over het vonnis. De gebeurtenissen in Rwanda en het proces hebben te veel sporen achtergelaten. “Het was voor mij een zeer zware, onaangename last die mij niet onberoerd heeft gelaten. Intellectueel moest ik wel toegeven dat het voor mij beter zou zijn als er een proces zou komen. Veronderstel eens dat de auditeur-generaal had gezegd: er is geen reden om kolonel Marchal voor de rechter te brengen. Er zou dan altijd twijfel zijn gebleven.”

U heeft altijd gezegd dat u werd verrast door de gebeurtenissen op 7 april.

“Ja. Wij opereerden als blinden. We hadden geen inlichtingendienst. Dat is een van de grote gebreken van VN-operaties. De toestand escaleerde en we hadden niet de kans om een beetje afstand te nemen en de zaken goed te analyseren. Daarvoor heb je specialisten nodig. Generaal Dallaire heeft daar verschillende malen om gevraagd, maar New York antwoordde telkens dat we de VN-waarnemers maar als informatiebronnen moesten gebruiken.”

Toch kreeg u al in januari uit een bron binnen extremistische Hutu-milities informatie over een dreigende uitmoording van de Tutsi-bevolking en over provocaties van VN-soldaten.

“Het eerste contact was op 10 januari, de aanslag op de president op 6 april. In de tussenliggende periode hebben de Rwandese militairen en de politieke machthebbers steeds de indruk gegeven de Arusha-akkoorden serieus te willen uitvoeren. 's Avonds na de moord op president Habyarimana hadden we een bijeenkomst met militaire commandanten, waarbij werd verzekerd dat er geen militaire coup aan de gang was. Ook na de moord de volgende dag op premier Uwilingiyimana waren we er nog van overtuigd dat het om een probleem van een paar dagen zou gaan en dat er een echte wil bestond om vrede te sluiten. Op 12 april tekenden hoge officieren zelfs nog een manifest om officieel bekend te maken dat het leger voor het toepassen van de Arusha-akkoorden was en dat UNAMIR (de VN-missie in Rwanda red.) zijn opdracht moest vervullen. Twee dagen later zijn we begonnen ons terug te trekken.”

Maar de informant heeft zelfs geheime wapendepots getoond.

“Generaal Dallaire heeft toestemming gevraagd aan de VN om die bergplaatsen van wapens te mogen opruimen. New York heeft negatief geantwoord”.

Hoe vond u dat?

“Voor ons was dat een politieke beslissing, die wij als militairen maar hadden uit te voeren. Natuurlijk waren we er niet gelukkig mee want we beseften zeer goed dat we op een kruitvat leefden. We hebben daarom geprobeerd een andere oplossing te zoeken door de Rwandese gendarmerie te vragen de wapens in beslag te nemen. In de loop van maart is dat voor het eerst gebeurd, wel een beetje laat.”

Ook met uw legerstaf in België verliep de communicatie niet altijd perfect. U vroeg tevergeefs om zwaardere bewapening en munitie.

“Tot mijn taak behoorde om het vliegveld van Kigali onder controle te houden voor het geval de honderden burgers en VN-waarnemers geëvacueerd moesten worden. Dus heb ik om extra munitie gevraagd om die opdracht te kunnen uitvoeren.”

U heeft die nooit gekregen?

“Nee.”

U kreeg zelfs geen antwoord?

“Ook geen antwoord.”

Voelt u zich dan niet in de steek gelaten?

“Ik weet eigenlijk niet wat er met dat verzoek is gebeurd.”

Waren de Belgen wel goed voorbereid? Een officier verklaarde dat hij en zijn collega's 'in vakantiestemming' naar Rwanda waren vertrokken.

“Ik denk niet dat het zo is geweest. Het eerste detachement dat naar Rwanda ging, had een jaar daarvoor ervaring opgedaan in Somalië. De omstandigheden daar waren totaal verschillend. In Somalië ging het niet om peace keeping maar om peace enforcing. Daar was niets. In Kigali was het leven normaal. Er was een bestuurlijke en een politieke structuur. In het begin zijn er verschillende incidenten geweest met de lokale bevolking en met bestuurders doordat de Belgische soldaten eenzelfde benadering hadden als in Somalië. In Somalië was het normaal, zelfs aangeraden, om een agressieve houding aan te nemen, want het waren daar geen vrienden.”

Groeide daardoor een hetze tegen de Belgen?

“Er was volgens mij geen sprake van een echt anti-Belgisch klimaat. Ik denk dat het er meer om ging achter de Belgen UNAMIR zelf te treffen. Radio Mille Collines was tegen de Arusha-akkoorden en de opdracht van UNAMIR was juist de Arusha-akkoorden tot een goed einde te brengen.”

U heeft het VN-mandaat in Rwanda 'uitstekend' genoemd.

“Ons mandaat was uitstekend zolang wij ons er aan konden houden. We moesten het vredesproces begeleiden. Daarvoor hadden we genoeg manschappen, uitrusting en bewapening. Na de moord op president Habyarimana werden we geconfronteerd met een oorlogssituatie en toen stonden wij machteloos. Daarop is door de VN onvoldoende snel gereageerd. De belangrijkste les is dat een vredesoperatie altijd een militaire operatie blijft. We moeten altijd over de middelen beschikken om te kunnen reageren als militairen.”

Het probleem was niet het mandaat, maar het aantal soldaten, de uitrusting, het gebrek aan inlichtingen?

“En het feit dat de kwaliteit van de verschillende eenheden zeer wisselend was. Het Bengaalse detachement was zeer zwak. Dat is ook één van de kenmerken van een VN-operatie: als commandant heb je geen enkele zekerheid over de operationaliteit van de nationale detachementen.”

Somalië, Rwanda, Bosnië: je stuit overal op dezelfde problemen. Is er überhaupt nog wel een succesvolle VN-operatie mogelijk?

“Er zijn weinig andere mogelijkheden voor de internationale gemeenschap. Natuurlijk is de VN niet de meest ideale oplossing maar er zijn nauwelijks alternatieven. De NAVO kan optreden in Bosnië, maar niet in Afrika.”

De Belgen trokken zich midden april uit Rwanda terug, terwijl de genocide was begonnen. Vindt u dat terecht?

“Ook dat was een politieke beslissing.”

Generaal Dallaire noemde het vertrek van de VN onbegrijpelijk.

“Natuurlijk. Door de kontakten met onze informant wisten we wat er gaande was. Dat er op het terrein een hele structuur bestond om massamoorden te plegen.”

Kun je de vergelijking trekken met Srebrenica?

“Daar ging het ook om peace keeping.”

Vindt u dat Dutchbat de moslims in de steek heeft gelaten?

“Ik kan moeilijk oordelen want ik was niet in Srebrenica. Maar wij hebben hetzelfde gedaan in Kigali. Er waren ook overal vluchtelingen en we hebben ze achtergelaten. Dat is dus een zeer, zeer pijnlijke situatie. Wat moet men doen in dergelijke omstandigheden?”

Wie zijn de verantwoordelijken? Overste Karremans in Srebrenica, kolonel Marchal in Kigali? Of de politiek?

“Het is een politieke verantwoordelijkheid, niet de bevoegdheid van de militaire blauwhelmen. Wij hadden iets kunnen doen, maar alleen met VN-richtlijnen en met de benodigde middelen. Als men ons de middelen niet geeft...dat is oneerlijk. Van buitenaf kan men zeggen dat het schandelijk is, onaanvaardbaar, wat er in Srebrenica is gebeurd. Maar om te kunnen oordelen, en om lessen te kunnen trekken, moet men goed nagaan wat er is gebeurd.”

Bij Srebrenica is dat wel duidelijk. Toen het op beschermen aankwam, dachten de Nederlanders aan hun eigen positie.

“Maar wat was het mandaat. Hadden zij...”

Als je ziet dat mensen worden weggevoerd, moet je ze toch beschermen?

“Ja, maar een commandant heeft zijn verantwoordelijkheden. Op een bepaald moment moet hij beslissen: of het gaat hier om de veiligheid van mijn mensen of het gaat om iets anders.”

In Srebrenica heeft Karremans alleen maar gedacht aan de veiligheid van de eigen mensen en heeft hij zelfs niet geïnformeerd naar het lot van de weggevoerde moslim-mannen.

“Ik kan daarover niet oordelen. Alleen weet ik zeer goed dat ook ik op een bepaald ogenblik een standpunt heb moeten innemen tegenover de vluchtelingen om me heen. Ik had een opdracht gekregen om te vertrekken, louter een militaire opdracht, en ik wist zeer goed dat wij de vluchtelingen moesten achterlaten.”

    • Wim Brummelman