Onderwijs heeft maar één echte sponsor

Coca Cola presenteert zich groots als sponsor van de Olympische Spelen in Atlanta. De frisdrankgigant verwijst daarbij niet naar de sponsoring van diezelfde Spelen, zestig jaar geleden in Berlijn. Wellicht heeft Coca Cola er belang bij om dat deel van de geschiedenis toe te dekken. Het wordt anders als Coca Cola zich met een lesbrief tot de basissscholen wendt om zo de sympathie (en de zakcenten) van de scholieren te verwerven.

Voor honderd procent onafhankelijk en neutraal zijn is niet mogelijk, maar er moet wel naar worden gestreefd. De kwaliteit van het Nederlandse onderwijs wordt internationaal geroemd. De leerkrachten hebben te maken met een enorme werkdruk, maar slagen er desondanks goed in de wereld die de kinderen dagelijks de school binnenbrengen te duiden.

Deze kwaliteit moet niet afhankelijk zijn of worden gemaakt van de vraag of de ouders een extra bijdrage willen betalen. Of van de omstandigheid dat in de wijk veel mensen met een uitkering of laagbetaald werk wonen en er dus niets extra's te besteden valt. Of van het feit dat er een bedrijf in de buurt is dat er wel geld in wil steken in ruil voor naamsvermelding op de deur van het leslokaal.

Tegen een redelijke ouderbijdrage of sponsoring door bedrijven en instellingen heb ik geen overwegende bezwaren. Essentieel acht ik een stelsel van primair en voortgezet onderwijs, dat voor iedereen toegankelijk en kwalitatief gelijkwaardig is in het hele land. Voor alle duidelijkheid: ik doel hier op het onderwijs aan leerplichtige kinderen op de basisschool en in het voortgezet onderwijs. Voor het middelbaar en hoger beroepsonderwijs, die vaak al met het bedrijfsleven samenwerken, ligt de situatie wezenlijk anders.

Voor het basisonderwijs kan er maar één echte sponsor zijn: de overheid in de persoon van minister Ritzen. Hij zal een zodanig budget beschikbaar moeten stellen dat scholen daar goed van kunnen bestaan zodat zij niet gedwongen worden te bedelen. Er is weinig fantasie voor nodig te bedenken welke scholen het geld weten los te peuteren van de ouders en andere sponsors, en welke niet. IBM, Philips, Rabobank, Shell, Texaco, Coca Cola en McDonalds behoren niet tot de charitatieve instellingen. Niets voor niets, is hun devies. Zij zien, na de sport en de cultuur een nieuwe groeimarkt van honderdduizenden jeugdige consumenten, die in toenemende mate zelf beslissen over de besteding van hun geld.

De autoriteit van de school zorgt er verder voor dat de leerlingen (en de ouders) minder kritisch zullen reageren op het aanbevolen produkt. Leerlingen in de hogere klassen van de basisschool en het voortgezet onderwijs hebben ook nog te maken met de 'merkenterreur', het 'vrijwillig verplicht' dragen van bepaalde schoenen of broeken om er bij te horen.

De grote sponsors zien een bijdrage van 10.000 gulden voor een lokaal of computers als een investering in de toekomst. Juist om die reden zou het kabinet meer geld moeten vrijmaken voor het onderwijs. Het grootste gevaar van onderwijssponsoring is dat het zó succesvol wordt, dat de overheid een achteroverleunende toeschouwer wordt bij het vrije spel van de markt.

Voorkomen moet worden dat een kloof ontstaat tussen rijke en arme scholen, tussen scholen in de 'betere' wijken en scholen in achterstandswijken, want daar heb ik het over. Ritzen moet voorkomen dat hij straks de, door een andere cola-fabrikant gesponsorde, geschiedenisboeken ingaat als 'no choice for a new generation'.