Lindners list

Het zou me niets verbazen als er in Amerika een Congres Universiteit bestond. Er is tenslotte ook een Hamburger Academy. Het zou mij evenmin verbazen te horen dat er in Nederland een studierichting Congreswetenschappen bestaat of een Hogeschool voor Congreskunde. Wij kennen ten slotte ook de studie Vrijetijdswetenschappen en de Hogeschool voor Toerisme. Waarom ook niet?

Congressen zijn tegenwoordig big business, vooral in Amerika waar je bij aankomst in een hotel of op een luchthaven niet zelden wordt begroet met borden als 'Gainesville Greets World Wildlife Convention Delegates'. Ook in Nederland wordt er gevochten om de congrescentra en de conferentie-oorden. Hoe groter hoe beter!

Het is dan ook moeilijk zich voor te stellen dat er een tijd is geweest dat dit alles nog niet bestond. Dat er nauwelijks congressen waren. Dat niemand wist hoe je ze moest organiseren of opzetten. Een tijd, kortom, waarin alles nog moest worden geleerd. En toch is die tijd nog niet zo lang geleden. Dat ontdekte ik toen ik onlangs, geheel toevallig, een even eigenaardig als vergeten geschrift onder ogen kreeg met de titel Zur Organisation internationaler Congresse. Deze Congress-Technische Studie, zoals de ondertitel luidt, is geschreven door Dr. Charles Bach (Dirig. Arzt d. Heilanstalt Sonnenhalde). Zij verscheen in 1911 in Berlijn bij de Allgemeine Medizinische Verlagsanstalt GmbH, en is voorzien van een 'Einführungswort' van Dr. P.H. Eykman, 'Direktor des vorbereitenden Bureaus der Stiftung für Internationalismus Scheveningen-Haag (Holland)', aan wie de auteur zijn geschrift ook opdraagt.

Over die P.H. Eykman, zijn eigenaardige ideeën, zijn even eigenaardige stichtingen en zijn allereigenaardigste boek L'internationalisme médical, hoorde ik onlangs een boeiende voordracht en bij die gelegenheid mocht ik ook een blik werpen op de studie van Dr. Bach. Dat was beslist de moeite waard. De studie telt niet veel meer dan honderd bladzijden, maar toch komen vrijwel alle problemen van het congreswezen hierin aan de orde, vanaf zulke simpele zaken als programma en journaal, presentie- en deelnemerslijsten, congrestalen, commissies en secretariaat tot gecompliceerde als de 'Geschäftsordnung in den Wissenschaftliche Sitzungen', de 'Referate und Vorträge' en, niet te vergeten, de 'Festlichkeiten (Erholungen)'. Dat is al heel wat, maar om vooral niets over het hoofd te zien, is ook nog een laatste hoofdstuk toegevoegd: 'Vermischtes und Nachträge'. Dit alles in nauwelijks honderd bladzijden. Grondig maar niet breedsprakig was kennelijk het devies van Dr. Bach.

Interessant is te zien dat ook in deze kinderjaren van het congreswezen sommige van de problemen die wij thans zo goed kennen al bestonden. Onverstaanbare sprekers bijvoorbeeld en sprekers die zich niet aan hun tijd houden. Ook Dr. Bach weet met het eerste probleem geen raad, maar met het laatste wel. Zijn even vernuftige als discrete oplossing bestaat uit het op een verzonken plek in het spreekgestoelte aanbrengen van een lichtsignaal dat alleen zichtbaar is voor de spreker en vijf minuten vóór zijn tijd om is gaat branden. Als de spreker dan nog doorgaat, moet de waarschuwing helaas op minder discrete, ja 'übliche Weise' worden herhaald, namelijk door het uitzenden van een voor allen hoorbaar akoestisch signaal. Menig congresganger zal betreuren dat er niet beter naar Dr. Bach is geluisterd.

De congreswereld van die tijd was een mannenwereld, maar ook voor de vrouwen was een plaats weggelegd, zij het natuurlijk niet als deelnemers, maar als 'Sekretariats- und Sitzungsassistentinnen'. Vrouwen zijn hiervoor volgens de auteur zeer geschikt. De 'weibliche Psyche' leent zich namelijk zeer goed voor het geven van inlichtingen. In de eerste plaats omdat het hierbij doorgaans om huishoudelijke zaken gaat, een materie die bij uitstek past bij het 'weibliche Ingenium', maar ook en vooral vanwege de 'sprachliche Unermüdlichkeit und Redegewandtheit des Weibes'. Deze aanleg heeft een biologische oorzaak. Het vrouwelijke spraakcentrum is zo ingericht dat het niet snel uitgeput raakt, ook niet als men honderdmaal per dag hetzelfde moet herhalen. Dr. Bach, wij zagen het al, was arts bij een 'Heilanstalt'.

Dit alles is interessant. Het interessantste hoofdstuk is echter een ander, namelijk dat over de 'Physiognomie', anders gezegd, over de vraag hoe mensen te herkennen. Dit is een uiterst gewichtig vraagstuk. Velen immers komen naar congressen om de grote mannen, de 'Magnaten der Wissenschaft', daar van aangezicht tot aangezicht te zien. Maar hoe moet dat, als men niet weet hoe zij er uitzien? Dit is een groot probleem, zowel voor de bezoeker in het algemeen als voor de homo novus in het bijzonder. Een mogelijkheid die Dr. Bach oppert, is enkele congressisten die bekend staan als 'Personenkenner' aan te zoeken en dezen een bijzonder kenteken te laten dragen, zodat zij als vraagbaak kunnen fungeren. Maar dat is toch niet helemaal bevredigend. Vandaar de grote vreugde van de auteur over de oplossing die kort te voren was gevonden in de vorm van het 'Lindner'sche Erkennungsabzeichen'. Dit kenteken was ontworpen door de 'Centrale für internationale Congress-Requisiten, Gg. Lindner', te München. Dit herkenningsteken is volgens Bach zowel qua artistieke merites als qua praktische bruikbaarheid niet te overtreffen.

Het betreffende kenteken bestaat uit een metalen schild met links de initialen van de drager en rechts zijn congresnummer. In het midden vinden wij de kleur van zijn land, althans als het gaat om een van de officieel vertegenwoordigde landen. De andere landen moeten het doen met een afbeelding van de globe. Een groot voordeel van dit kenteken is dat de firma ze in twee soorten maakt: verzilverd voor de namen die beginnen met de letters A tot en met K en verguld voor de overige. Dit maakt het gevaar van verwisseling gering. Zelfs dubbelgangers, zo merkt de auteur met duidelijke voldoening op, kunnen nu worden onderscheiden, want de kans dat zij naast hetzelfde uiterlijk ook nog een naam uit dezelfde alfabetgroep hebben en bovendien ook nog uit hetzelfde land komen, is wel erg klein. Het nummer, de metaalkleur en de landenkleur vormen samen de onovertrefbare 'Lindner'sche Trias'.

De problemen waarover Bach schrijft, zijn in de loop der jaren opgelost. Zij zijn niet meer de onze. Daarmee is ook de vreugde die Bachs boek doorzindert over iedere stap voorwaarts, over een nieuw, nog beter georganiseerd, congressecretariaat, over een nieuwe, nog vernuftiger, congresmap en boven alles over de geniale vondst van de Lindner'sche herkenningsspeld verdwenen. Wij zijn nu allen routiniers. Bij Dr. Bach hoeven wij niet meer te rade te gaan, maar zijn werk blijft voor ons van betekenis als een belangrijke bron voor de archeologie van het congreswezen.