In Liefde Bloeyende

Jacobus Revius (1586-1658)

SCHEPPINGE

God heeft de werelt door onsichtbare clavieren

Betrocken als een luyt met al sijn toebehoor.

Den hemel is de bocht vol reyen door en door

Het roosken, son en maan die om ons hene swieren.

Twee grove bassen die staech bulderen en tieren

Sijn d'aerd' en d'oceaan: de quinte die het oor

Verheuget, is de locht: de reste die den choor

Volmaket, is t'geboomt en allerhande dieren.

Dees luyte sloech de Heer met sijn geleerde vingers

De engels stemden in als treffelicke singers

De bergen hoorden toe, de vloeden stonden stil:

Den mensch alleen en hoort noch sangeren noch snaren

Behalven dien 't de Heer belieft te openbaren

Na sijn bescheyden raet en Goddelijcken wil.

Er zijn gedichten die argeloos beginnen om naar een hoogtepunt toe te werken, er zijn gedichten die zo'n beetje rondom een paar indrukwekkende regels zijn gebouwd, maar dit hier - dit Scheppinge van Jacobus Revius - behoort tot de gedichten die, net als veel composities van Bach, onmiddellijk soeverein inzetten om vervolgens die majesteitelijke toonhoogte tot het eind toe vol te houden.

God heeft de werelt...

ja, 't haalt me de koekoek dat dit een soevereine inzet is. God zelf voorop, dan ons meest geliefde werkwoord hebben en dan alles wat er is, de wereld. Maar zo'n luchtballon van algemeenheden kan natuurlijk snel uiteenspatten. Het zijn dan ook de eerste twee regels, in hun geheel

God heeft de werelt door onsichtbare clavieren

Betrocken als een luyt met al sijn toebehoor...

die de de inzet subliem maken. De drie grote, generaliserende woorden hadden wel degelijk hun functie, maar alleen om het bijzondere, het unieke beeld naar hun niveau te tillen. Het vervult ons met ontzag, het beeld van een God die de wereld 'als een luyt' heeft bespannen met onzichtbare snaren. Komt het door de cadans? Komt het door de manier waarop de muziek wordt geïntroduceerd, schijnbaar onverhoeds en toch meteen als een kosmisch gegeven? Hoe dan ook, hier past geen spot. Hier gebiedt de wet van het bovenmenselijke. Precies wat we wel eens voelen als kapelmeester Bach een deuntje ten beste geeft.

De onzichtbare klavieren zijn, na de onzichtbare God, het algemeen-menselijke hebben en de abstracte wereld, ineens erg zichtbaar.

De schepping wordt door Revius met een instrument vergeleken. Het Scheppinge uit zijn titel betekent niet de daad van het scheppen, de creatie, maar datgene wat geschapen is - het heelal, de natuur, alles wat er is. Dat hele heelal is doordrongen van de muziek Gods, die hier onmiskenbaar wordt geassocieerd met de harmonie der sferen - in de eerste helft van het octaaf gaat het om de hemel en de planeten, in de tweede helft vernauwt de cirkel zich tot de aarde en de elementen. De onderdelen van het instrument worden beschreven, het werk van de instrumentbouwer - pas na de chute, in het sextet, komt de bouwer als bespeler zelf in beeld.

het bouwkundige gedeelte van het gedicht kan - al voelen we pal op die visuele inzet wel aan dat het hier om technische details gaat - wellicht een paar muzikale voetnoten gebruiken. Tenslotte is de luit voor huidige lezers een dinosaurus. Aan mijn Revius-uitgave ontleen ik dat de bocht de boog van de klankkast was, reyen de richels waarmee de klankkast versierd werd en het roosken de klankopening. “Als de luit er twee had was er een grote en een kleine: zon en maan.” De quinte - dan is er uitleg genoeg geweest - is de hoge snaar.

Muziek-symboliek, het komt bij Revius vaker voor:

Het orgel is een beelt vant leven hier beneden.

Ghy hoort de lichtste pijp het alderhoochste blasen

Oock die het minste weet wil 'taldermeeste rasen.

Maar wat is dit een stijf, traditioneel beeld - in de trant van De wereld is een pijp kanleel, Elk zuigt eraan en krijgt niet veel - vergeleken met de weidse majesteitelijke metafoor van Scheppinge!

De mens die geen muziek kent in zichzelf

Of niet ontroerd raakt door een mooi akkoord

Is rijp voor list, vernielzucht en verraad

zegt Shakespeare in De koopman van Venetië. De mens die geen muziek hoort is ook voor Revius een verdoemde, maar hij weet er in de slotregels het calvinistische thema van de uitverkiezing aan te verbinden. Hij doet dat zo knap dat we er geen erg in hebben dat het om religieuze propaganda gaat, we zijn zelfs bereid er ja ja bij te knikken.

De verdienste van de kunst, niet van de leer. Zolang Bach zingt geloven we in God en geen seconde langer.

Een middeleeuws, alchemistisch aandoend wereldbeeld (de harmonie der sferen) wordt hier verbonden met een modern, persoonlijk geloof. Er speelt nog een heidense associatie mee - die van het traditionele beeld van Orfeus met zijn luit.

De setting van het gedicht doet denken aan het verhaal van de musicerende Orfeus, een landschap waarin de elementen halt houden en zwijgen. Bij wat Orfeus betovert horen onvermijdelijk bergen, dieren, bomen. In Revius' gedicht komen ze alledrie voor.

Lier en luit zijn uitwisselbaar. Ze gelden beide als zinnebeeld van de dichtkunst, als attribuut van de god van de poëzie. Eigenaardig te bedenken dat ook Revius, de steile predikant, dit geheime spel speelde: dat hij God als Orfeus ziet en de dichter als God. Was het omdat hij met zijn ene voet in de oude, met zijn andere in een nieuwe wereld stond? Of wilde hij - via deze mythologische travestie - een uitspraak doen over de aard van het dichterschap en het belang dat hij aan de poëzie hechtte, een uitspraak die hem dierbaar was maar die in zijn steile predikantenkring voor blasfemie zou worden versleten?

    • Gerrit Komrij