'Het repertoire van het Concertgebouworkest is te smal geworden'

Piet Veenstra, de vroegere artistiek directeur van het Residentie Orkest, is onlangs benoemd tot artistiek adviseur ad interim van hetConcertgebouworkest.

'Het Rijksmuseum onder de orkesten,' vindt hij.

Vroeger werd hij in de gangen van het Amsterdamse Concertgebouw nog wel eens 'die wilde Haagse jongen uit de Notenkrakerstijd' genoemd. Sinds vorige maand is hij verantwoordelijk voor de programmering van het orkest.

Piet Veenstra, 73 jaar, ex-cellist, ex-artistiek-directeur van het Residentie Orkest, ex-oprichter van het Luistermuseum, ex-artistiek adviseur van het Ballet Orkest en de huidige artistiek adviseur van het Noord-Hollands Philharmonisch Orkest (NPO), neemt voor het seizoen '97/'98 de taak van Jan Zekveld over. Het bestuur van het Concertgebouworkest krijgt daardoor de kans om in alle rust een (vermoedelijk buitenlandse) opvolger voor Zekveld te zoeken, de artistiek directeur die enkele maanden geleden opstapte na een reeks conflicten met zakelijk directeur Willem Wijnbergen, dirigent Ricardo Chailly en het orkestbestuur. “Het Concertgebouworkest is het Rijksmuseum onder de orkesten. Ik vind niet dat het orkest moet veranderen,” zegt Veenstra, een opmerkelijke uitspraak voor een man die vooral bekend is om zijn prikkelende en afwijkende programmering. “Natuurlijk moet het Concertgebouworkest ook twintigste-eeuwse muziek spelen, maar het orkest heeft in de eerste plaats een grote verantwoordelijkheid voor het romantische en laat-romantische repertoire.”

Bij het Residentie Orkest ging Veenstra in het begin van de jaren zeventig heel wat minder omzichtig te werk. Binnen enkele jaren onderging het brave Haagse orkest een metamorfose. Als lid van de artistieke commissie en later als artistiek directeur programmeerde Veenstra veel onbekende werken van de grote meesters en meesterwerken van onbekende componisten. Avantgarde-componist Bruno Maderna was al dirigent in Den Haag, voordat hij het troetelkind werd van de Notenkrakers. Ook maakte het Haagse publiek eerder dan het Amsterdamse kennis met de revolutionaire interpretatie van oude muziek onder leiding van dirigent Nikolaus Harnoncourt. Nederlands repertoire, zowel het onbekende oude als het niet eerder gespeelde nieuwe, werden een vanzelfsprekend onderdeel van de Haagse programmering.

Maar de jaren zeventig zijn voorbij, de hemelbestormers van toen hebben hun wilde haren al lang verloren. Toch weet Veenstra zich in de concerten die hij programmeert nog steeds te onderscheiden van zijn collega's. Binnen enkele jaren maakte hij van het Noord-Hollands Philharmonisch Orkest, waaraan hij als artistiek adviseur verbonden blijft, een van de avontuurlijkste orkesten van Nederland - zoals in het vorige Kunstenplannen werd geconstateerd, waardoor het orkest buiten allerlei bezuinigingen bleef.

Het is dan ook ondenkbaar dat Veenstra op de programmering van het Concertgebouworkest helemaal niets heeft aan te merken. “Het repertoire van het Concertgebouworkest is de laatste tijd te smal geworden”, zegt hij. “Het orkest moet, aanknopend bij de werken waar het internationaal om geroemd wordt, dat wil zeggen Mahler en Strauss en de laatste jaren ook Sjostakovitsj, zijn basis verbreden. Er wordt veel te weinig Franse muziek gespeeld. Maar ook sommige Duitse componisten worden zonder reden genegeerd.”

Is Veenstra niet bang te belanden bij componisten van het tweede plan?

“Natuurlijk moet je met goede stukken aankomen. Maar die zijn er buiten het 'ijzeren repertoire' genoeg. Dat hele idee van 'ijzeren repertoire' bestaat trouwens nergens zo sterk als in de muziekwereld - kennelijk is het publiek daar bekrompener dan elders. De beeldende kunst kent toch ook niet alleen Rembrandts. Neem nou de late werken van Max Reger, zoals de Romantische Suite, prachtige muziek. Dat is puur Duits impressionisme. Zo'n werk laat zich heel mooi combineren met muziek van Debussy - dat deed Reger zelf trouwens ook als hij dirigeerde.”

Over zijn voorganger Jan Zekveld en over de conflicten bij diens vertrek wil Veenstra niets zeggen. Over programmeren praat hij des te meer. En indirect schemert daarbij wel iets door van wat er mogelijk fout ging tussen Zekveld en het orkest.

Veenstra vindt dat een artistiek directeur een diplomaat moet zijn. Hij moet goed kunnen luisteren naar wat de musici aankunnen (“Ze willen altijd één repetitie meer”), wat het publiek verwacht (“Het is belangrijk om eerlijk te zijn. Ik hou er niet van om stiekem een modern werkje te smokkelen in een concert met klassiekers.”) en wat een dirigent wil (“Als ik een dirigent een voorstel doe, heb ik altijd twee of drie andere werken achter de hand om tegemoet te komen aan eventuele bezwaren”).

“Een artistiek directeur van een orkest moet de mentaliteit van musici heel goed begrijpen,” zegt Veenstra, die zelf zo'n dertig jaar als cellist speelde in het Residentie Orkest, waar zijn vader ooit eerste hoornist was. “Je moet rekening houden met de mogelijkheden van musici, met de moeilijkheidsgraad van de muziek. Voor musici is die anders dan voor het publiek. De Sacre is bij voorbeeld veel minder moeilijk dan je zou verwachten. Daphnis et Cloé van Ravel klinkt virtuoos, maar is zo knap geïnstrumenteerd, dat het bijna niet mis kan gaan. Janáceks Sinfonietta is daarentegen heel onhandig geschreven en dus lastig om te spelen.”

Ook het publiek heeft volgens Veenstra een gebruiksaanwijzing. “Een concert moet niet te lang zijn en hinderlijke changementen tijdens het concert zijn dodelijk. Dat laatste is vooral in de moderne muziek, met zijn wisselende bezetting, heel lastig. Verder is het natuurlijk mooi om een historisch of musicologisch verantwoord concertprogramma samen te stellen, maar dat heeft alleen zin als het voor het publiek ook zonder toelichting hoorbaar is.

“Ik werk liever met vier stukken op een avond, dan met twee of drie. Wie een tentoonstelling bezoekt, vindt meestal ook niet alles mooi. Als je meer werken programmeert zit er voor iedereen wel één bijzondere luisterervaring tussen. En daar gaat het om, de rest hoeft dan hooguit interessant te zijn, of soms zelfs dat niet. Mijn ideaal is een concert met zowel bekende als minder bekende muziek, liefst met een afwisseling van stijlen, waarbij de combinatie als het ware een nieuw stuk oplevert - maar zonder belerend te zijn, ik heb een hekel aan opvoedkundige concerten.” Zijn aanstelling moge ad interim zijn - het lijkt bijna zeker dat het seizoen '97/'98 herkenbaar zal zijn als een Veenstra-jaar.