Dame met valk

Wapnewki's studie over Des Kürenbergers Falkenlied' is verschenen in het tijdschrift Euphorion 53 (1959), p.1-19, en later herdrukt in zijn boek Waz ist minne, Studien zur Mittelhochdeutschen Lyrik (2. Aufl., München: Beck, 1979).

Het beroemde valkenlied van de twaalfde-eeuwse dichter die als der Kürenberger wordt aangeduid, telt slechts acht regels. In gezongen vorm zal het niet meer dan een paar minuten in beslag hebben genomen. De filologen zijn er minder snel mee klaar geweest. Sinds 1857, toen het in de bundel Des Minnesangs Frühling voor het eerst werd uitgegeven, zijn er tientallen artikelen aan de interpretatie van het gedicht gewijd, die tezamen vele honderden bladzijden beslaan.

Toch maakt het naar vorm en taal een hoogst eenvoudige indruk. Ik parafraseer, en volg daarbij de interpretatie van Peter Wapnewski. Eerste strofe: een vrouw spreekt. Zij heeft een valk afgericht, meer dan een jaar lang. Toen de training voltooid was, versierde zij zijn veren met gouddraad. De valk verhief zich in de lucht en vloog naar een ander land. Tweede strofe: dezelfde vrouw is aan het woord. Sindsdien, zegt zij, heeft zij de valk teruggezien: prachtig was zijn vlucht. Aan zijn klauwen droeg hij met zijde versierde riemen en zijn verenkleed glansde van goud. Daarop volgt de verrassende slotregel: God brenge hen bijeen die van elkaar willen houden'.

Alleen tegen de achtergrond van de valkenjacht kan het lied van de Kürenberger begrepen worden. Het africhten van een valk vergt voor alles twee dingen: een scherp inzicht in de aard en de gesteldheid van de vogel, en een nooit falende zelfbeheersing. Het temmen begon met het aanleggen van de riemen (in het Latijn iacti genaamd): aan elk van beide poten werd een ongeveer twintig centimeter lange riem bevestigd, aan het eind waarvan een metalen ring hing. Aan die ring zou later, als de valkenier door een wekenlange, uiterst zorgvuldige dosering van het voedsel de valk aan zijn wil had onderworpen, de longa worden vastgemaakt, een lange lijn waaraan het dier een eind weg kon vliegen, maar ook weer terug kon worden gehaald. Na vele proefvluchten brak tenslotte de dag aan waarop de valk, vaak fraai opgesmukt met kostbare versierselen en met het wapenteken van zijn eigenaar aan zijn riemen, zonder longa weg mocht vliegen, maar op een fluitsignaal van zijn meester terug moest keren naar diens handschoen. Als de valk dan niet gehoorzaamde en voor de vrijheid koos, was alle moeite voor niets geweest.

De valk in het lied van de Kürenberger vloog naar een 'ander land'. Wapnewski heeft aangetoond dat dit een technische term uit de valkerij is, waarmee wordt bedoeld dat de valk in weerwil van de dressuur wegvliegt en niet terugkeert. Een weggevlogen valk blijft soms nog dagenlang rondvliegen in het revier waar hij is afgericht, maar laat zich meestal niet meer teruglokken en vangen. Het is deze teleurstellende ervaring van een vrouwelijke valkenier die in het lied wordt beschreven. Maar de slotregel laat ons begrijpen dat het om méér gaat dan de frustratie van een mislukte dressuur. De valk is een beeld van de man van wie zij houdt en die haar heeft verlaten. Zij had hem liefgehad met al het subtiele raffinement en alle zelfbeheersing die de hoofse liefde vereiste. Zij had hem getooid met de bewijzen van haar liefde. Maar hij had zich van haar losgemaakt. Sindsdien had zij hem teruggezien, maar hij was onbereikbaar. Geresigneerd en grootmoedig spreekt zij de wens uit dat God twee mensen die van elkaar willen houden - haar vroegere minnaar en een andere vrouw - bij elkaar moge doen blijven.

De valkenjacht is door de grootste middeleeuwse autoriteit op ornithologisch gebied, keizer Frederik II (1212 - 1250), een ars genoemd, een woord waarin de betekenissen 'kunst', 'wetenschap' en 'zeldzame vaardigheid' samenvallen. Hij schildert de ideale valkenier als iemand van bijzondere intelligentie die volmaakt meester is over zijn zintuigelijke vermogens. Succes is alleen weggelegd voor wie zich met onvoorwaardelijke liefde aan de kunst wijdt. Maar in elk streven ligt de mogelijkheid van een falen besloten. Een halve eeuw vóór Frederiks valkenboek brengt het lied van de Kürenberger eveneens liefde en valkenjacht met elkaar in verband, maar hier ging het om de liefde tussen twee mensen die, zelfs als zij onvervulbaar moest blijven, tot een ars verheven werd.

Het valkenlied van 'der Kürenberger':

Ich zôch mir eine valken mêre danne ein jâr

dô ich in gezamete als ich in wolte hân

und ich im sîn gevidere mit golde wol bewant

er huop zich ûf vil hôhe und floug in anderiu lant.

Sît sach ich den valken schône fliegen:

er fuorte an sînem fuoze sîdîne riemen

und was im sîn gevidere alrôt guldîn.

Got sende si zesamene die gerne geliep wellen sîn!