Bingo!; Casino voor de armen

Bingo is een kansspel en dus officieel verboden. Maar in Amsterdam worden de illegale bingohuizen gedoogd zolang ze geen overlast veroorzaken. “Je hebt wat te doen en je denkt nergens aan.”

De spanning stijgt in de bingozaal van het Roothaanhuis in Amsterdam, want het winnende nummer kan nu ieder moment vallen. De bingomaster spreekt de verlossende woorden: “Nummero negen”.

“Bingo!” roept een dame. Een van de assistenten loopt naar haar toe en controleert haar kaart. 'Goeie kien', zegt de bingomaster terwijl zijn assistent vijf briefjes van honderd voor de vrouw op tafel legt. Ze ziet er niet uit als een gelukkige prijswinnaar, maar kijkt alsof ze haar loon krijgt uitbetaald. Ze negeert het geld en buigt zich meteen weer over de gekleurde velletjes. De Bingo gaat meteen door.

Het is een eenvoudig spel. De deelnemers kopen een kaart met cijfers die van klein naar groot zijn gerangschikt. De bingomaster trekt een aantal nummers, net zolang tot iemand een 'rijtje slaat'. Op steeds grotere schaal wordt bingo commercieel gespeeld. Vooral in Amsterdam komen er honderden mensen op af, die niet langer tevreden zijn met een strijkijzer of een damesfiets, beschikbaar gesteld door de plaatselijke middenstand. Ze willen contant geld zien. De inhoud van de prijzenpot kan oplopen tot wel twintigduizend gulden.

In het Roothaanhuis is er iedere avond een bingo, georganiseerd door verschillende uitbaters. Het populairst is bingomaster Rob Muys. Zelfs op een warme zomeravond zitten er nog zo'n vijfhonderd mensen. De grote benedenzaal ziet er uit als een Beierse Bierkeller: groot, laag en kaal. Vier ventilatoren trachten tevergeefs de hitte, de rook en de krokettenwalm weg te blazen. Bij het podium zit de bingomaster die de nummertjes voorleest. Aan oude kantinetafels zitten de spelers rug aan rug te strepen.

Naast de dame die zojuist vijfhonderd gulden heeft gewonnen, zitten de heer en mevrouw Jongsma. Ze hebben vaste plaatsen. Op tafel ligt het gereedschap van de vaste bingoklant: een etui met merkstiften, veel snoep, een handventilatortje en de velletjes papier waar alles om draait. De Jongsma's bingoën al vijftien jaar, vijf avonden in de week. “Het is een gek gevoel als we eens een avondje thuisblijven”, zegt mevrouw Jongma. “Dan kijken we mekaar aan en, tja, dan gaan we maar weer.”

Volgens uitbater Rob Muys, een van de grootste bingobazen van Amsterdam, is zijn publiek een gemêleerd gezelschap, jong en oud, rijk en arm. Maar wie een blik in een bingozaal werpt, vermoedt dat de meesten uit de sociaal minder sterke milieus komen. Vrouwen zijn verreweg in de meerderheid.

Socioloog Sytze Kingma is afgestudeerd op het fenomeen bingo en promoveert binnenkort op kanspelen in het algemeen. “Bingo is inderdaad het casino voor de armen. Het wordt vooral door huisvrouwen gespeeld”, zegt hij. “Waarschijnlijk is dat historisch zo gegroeid. Als de vrouwen een spel leuk vinden, dan willen de mannen het niet meer spelen. Zo gaat het ook met sociale milieus. Zodra de sociaal zwakkeren de bingo omarmen, haalt de middenklasse er zijn neus voor op.”

Verder denkt Kingma dat mensen bingo spelen, omdat het in hun ogen een 'nuttige' tijdsbesteding is. “Je kunt het vergelijken met volkstuintjes. De huisvrouw ziet de gokwinst als een aanvulling op het huishoudgeld. Van het gewonnen geld koopt ze het liefst iets voor de kinderen, of voor haar man.” Mevrouw Jongsma heeft twee keer duizend gulden gewonnen. Dat was natuurlijk leuk, “maar ja, je brengt het zo weer weg”. Ze speelt vooral omdat het zo spannend is. “Je hebt wat te doen en je denkt nergens aan.” Ze komt natuurlijk ook voor voor de gezelligheid, net als de meeste andere vrouwen.

Maar welbeschouwd is het helemaal niet zo gezellig in een bingozaal. Tijdens het spel wordt er geen woord gewisseld. Wie praat, krijgt namelijk al snel boze blikken van zijn medespelers. Doodserieus tuurt men op de papiertjes. En ook tijdens de pauzes wordt er niet veel gepraat. Dan komen namelijk de speelkaarten op tafel en wordt er 'bingokaarten' of klaverjas gespeeld. En niemand juicht als er eens iets gewonnen wordt.

“Natuurlijk zegt iedereen om de gezelligheid te spelen, maar het gaat om het winnen”, zegt Kingma. “Het is gewoon een gokspel. Maar het is in ieder geval een stuk gezelliger dan een gokautomaat.” Ook volgens de barman in het Roothaanhuis zijn de mensen maar in één ding geïnteresseerd, “en dat is zo snel mogelijk duizend gulden binnenslepen.”

Bingo is een kansspel en dus officieel verboden. Verenigingen kunnen een ontheffing krijgen, maar dan moet het prijzengeld beperkt blijven. Bovendien moet zestig procent van de opbrengst naar het goede doel gaan. Bingobaas Muys: “Ik heb toevallig net een tientje voor Afrika gegeven, maar verder gaat er geen cent naar het goede doel. Natuurlijk is het verboden, maar ik speel hier toch open en bloot? Ik sta netjes ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en ik betaal keurig mijn belastingen.”

De illegale bingohuizen worden door de gemeente Amsterdam gedoogd zolang ze geen overlast veroorzaken. Om dat te voorkomen, heeft Muys 'medewerkers voor de algemene assistentie' in dienst: twee kleerkasten van uitsmijters die onopvallend opvallend aanwezig zijn. Muys: “Eigenlijk gebeurt er nooit iets. Als er een keer ruzie is, dan gaat het altijd om een man of om een stoel.”

In andere steden treedt de politie wel op tegen bingohuizen. Rotterdam kende eind jaren tachtig een even grote bingorage als de huidige in Amsterdam. De bingo kwam daar echter in handen van de onderwereld terecht. Na de moord op bingobaas Bestebuurtje in 1989 werden de grote bingohuizen één voor één opgerold. Nu wordt in Rotterdam nauwelijks meer gespeeld. Buiten de grote steden floreert bingo semi-legaal binnen het verenigingsleven. Het belangrijkste goede doel is meestal het spekken van de clubkas.

Tussen de mensen die voor de gezelligheid komen, zitten er ook enkelen die echt verslaafd zijn. “Die haal je er zo tussenuit”, zegt Muys. “Ze komen bijvoorbeeld steeds vragen of ze op de pof mogen bingoën, en of ze een kaart mogen lenen.” Volgens Kingma valt het wel mee met de verslaving. “Natuurlijk, er zijn mensen die op zo'n avond echt in een roes geraken, maar dat hoeft geen probleem te zijn. Het voordeel van bingo is dat je maar weinig geld kunt verspelen. Je bepaalt van tevoren dat je zestig gulden uit wilt geven, en daar kun je de hele avond mee doen. Je kunt verslaafd zijn zonder dat je financiële problemen krijgt. Heel anders dus dan bij gokautomaten, waar je vijftig gulden per uur in moet gooien.” Voor zijn onderzoek heeft Kingma zelf vaak meegespeeld. De enige prijs die hij ooit heeft gewonnen is een hond van gips. “Die staat nog altijd als een trofee in mijn huiskamer.”

Mevrouw Jongsma wint die avond niets: steeds net een nummertje ernaast. Op het eind van de avond maakt een winnares zich bekend, niet door 'bingo!' te roepen, maar door keihard op een scheidsrechtersfluitje te blazen. Eindelijk iemand die oprecht blij is met de prijs? Helaas: “Die is geopereerd aan haar stembanden”, zegt mevrouw Jongsma, “daarom mag zij altijd op een fluitje blazen.”