Werk van Van Loon lijkt soms 'gebakken textiel'

Tentoonstelling: Johan van Loon - retrospectief. Keramiekmuseum het Princessehof, Grote Kerkstraat 11 in Leeuwarden. Tot en met 1 september, ma t/m za 10-17, zo 14-17. Publicatie ƒ 37,50.

Het kan geen toeval zijn dat de grote tafel in de tentoonstellingsruimte van keramiekmuseum het Princessehof niet gewoon langwerpig is, maar zich in een dubbele S- bocht kronkelt. De 37 werkstukken van Johan van Loon (Rotterdam 1934) die erop zijn uitgestald, alle uit museaal bezit, onttrekken zich immers aan een gemakkelijke, lineaire tijdsindeling. Er zijn geen kenmerkende fases of periodes aan te wijzen in de meanderende slinger vazen en kommen die tussen 1959 en 1993 zijn gemaakt.

Van Loon heeft in de bijna veertig jaar van zijn keramistenloopbaan voortdurend tegelijkertijd in steengoed, aardewerk en porselein gewerkt en al of niet met glazuur, engobes en dergelijke geëxperimenteerd. Steeds geeft de serpentine-opstelling een doorkijkje naar onvoorspelbaarheden, staat er naast of schuin achter een ruwe, niet of nauwelijks geglazuurde steengoed schaal met robuuste groeven een precieuze vaas met een diepglanzende, bijna fluwelen glazuurlaag.

Een van de weinige constantes in Van Loons oeuvre is dat hij zelden de traditionele vaas- of potvorm verloochent. Iets wat er uitziet als de kop van een roofvogel, is bij nadere beschouwing toch een soort vaas en twee objecten in de gedaante van een boom blijken evenmin massief, maar bieden tussen hun evenwijdige wanden een opening.

Slechts een enkele van de tachtig voorwerpen in Leeuwarden is niet hol: een steengoed eierendoos met daarin witte eieren. De datering (1969) spreekt boekdelen: het was de tijd waarin keramisten plastieken of sculpturen maakten, geïnspireerd op de natuur, en onder de noemer van popart, gebruiksvoorwerpen nabootsten die een vervreemdend effect opriepen.

Van Loon is als keramist vrijwel autodidact. Hij is opgeleid aan het Amsterdamse Instituut voor Kunstnijverheid met als specialisatie 'textiele vormen' en was een aantal jaren verbonden aan weverij De Ploeg. De verleiding is altijd groot geweest om een deel van zijn keramiek in verband te brengen met dat textielverleden en de golvende, geplooide en gevouwen porseleinen objecten rechtstreeks te verklaren uit de vroegere textielactiviteiten. Nog meer zou dat gelden voor de decoraties die aangebracht zijn op de vazen en schalen. Helemaal onterecht is de link met 'gebakken textiel' niet, want wie denkt niet aan een genopte opwaaiende zomerjurk bij een schitterende pot-met-oren waarvan de buitenkant bedekt is met een bruin gemarmerd glazuur waarin ronde schijfjes wit porselein zijn ingelegd. Nog sterker is die associatie met textiel bij vijf rechte cilinders. Op een van deze recente exemplaren schilderde de keramist een gestileerd gouden insect met zwarte sprieten. De op rood lak lijkende ondergrond verleent de decoratie iets onmiskenbaar Japans en maakt het luxueuze patroon geknipt voor een kimono.

In 1977 kreeg Van Loon het aanbod om bij de beroemde porseleinfabriek 'Royal Copenhagen' te gaan ontwerpen. Behalve de beige noppenvaas dateert uit dit vruchtbare Deense jaar onder meer een wit theeservies. Het porselein heeft een roze blos en een onregelmatige versiering van bruine spikkels. Theepot, suikerpot en melkkan zijn cylindrisch, maar het minieme kopje, het schoteltje en het theeblad zijn vierkant. Het bijna overgecultiveerde serviesje draagt de naam 'Solitaire' en is dus voor een eenzaam sophisticated theedrinkend personage bestemd.

Een langduriger contact met industriële productie ontstond in 1979 tussen Van Loon en de Duitse porseleinfabriek Rosenthal. De serieproducten die Van Loon naast zijn eigen vrije keramiek voor deze onderneming maakte, missen elke zwaarte. De benaming Pergament-Porzellan voor een deel van de Rosenthalcollectie is niet overdreven. In een interview uit de jaren tachtig vertelde Van Loon dat zijn superdunne voorwerpen, die na het glazuren gebakken moesten worden op een temperatuur van 1425 graden, door de lucht in de oven aanvankelijk werden weggeblazen. Gelukkig bedachten de Rosenthaltechnologen voor dat essentiële probleem een oplossing.

Het is moeilijk kiezen tussen het stoere steengoed werk zoals de smalle vazen met hun geribbelde, ingekerfde en mishandelde 'huid', de bijna immateriële porseleinen objecten met hun satijnachtige wanden, en alles wat tussen die twee uitersten ligt. Uit dit mooi opgestelde overzicht spreekt een onvermoeibaar streven steeds weer de technische grenzen van de klei te verkennen. Dat geeft het totale beeld overigens ook iets onrustigs, want het publiek moet die bijna monomane vernieuwingsdrang volgen. Soms zou je Van Loon wat vaker een pas-op-de-plaats toewensen, een iets langer uitdiepen van een concept. Maar hij wil steeds een andere bron aanboren en een onbekende weg bewandelen.