Tussen zilver en zink: noodgeld in mei 1940

Het Noodgeld van Nederland in de Tweede Wereldoorlog, 1940-1945. Door Alphons Toele en Hans Jacobi. Uitg. Rijksmuseum Het Koninklijk Prentenkabinet, Leiden, 1996. Prijs ƒ 99,50. ISBN 90-73882-05-2.

Nadat de Duitse legers op 10 mei 1940 Nederland waren binnengetrokken, trad er direct een schaarste aan kleingeld op. De munten bestonden toen nog voor een groot deel uit zilver. De verwachting van het publiek was dat dit zijn waarde wel zou behouden, wat er ook zou gebeuren met de koers van de gulden. Contante betalingen werden door de schaarste bemoeilijkt. De verplaatsing van kassen in bijkantoren van De Nederlandsche Bank (DNB) en een inderhaast ingevoerd moratorium op geldopnames bij de bank verergerden het tekort nog eens.

Vooral achter de vijandelijke linies was de situatie in de eerste oorlogsdagen penibel. De 'correspondenten' van DNB hadden instructies gekregen om in het uiterste geval al het papiergeld te vernietigen. Soms ging dat in allerijl. Zo verbrandde de correspondent in Zeist een bedrag van 50.000 gulden zonder de nummers van de biljetten te noteren. De asresten begroef hij in zijn tuin. Na de capitulatie, op 15 mei, groef hij ze weer op. De resten bleken toen zo verpulverd dat controle van de nummers onmogelijk bleek. Hij kreeg een reprimande, omdat er geen getuige bij de verbranding aanwezig was geweest.

Het probleem van het acute tekort aan geld kon alleen worden opgelost door de uitgifte van noodgeld door gemeenten. In hun boek Het Noodgeld van Nederland in de Tweede Wereldoorlog, 1940-1945, beschrijven Alphons Toele en Hans Jacobi de korte geschiedenis van dit geld. Het is tevens een uitgebreide catalogus.

Al op 11 mei had de minister van Binnenlandse Zaken aan de commissarissen van de koningin bericht dat de gemeenten noodgeld mochten uitgeven. Maar de doorgifte van dit bericht duurde lang. Zo werden de telegrammen in Zuid-Holland pas op 14 mei aan de gemeenten gestuurd.

Veel gemeenten hadden al op eigen houtje gehandeld, al zullen ze zelf niet beseft hebben dat ze hun voedselbonnen als een vorm van geld moesten beschouwen. De meeste hadden coupures gekozen die overeenkwamen met die van het 'normale' geld, op enkele uitzonderingen na. Zo koos het bestuur van Hoensbroek voor een biljet ter waarde van 66 cent, wat overeenkwam met de waarde van één Reichsmark. De benaming was divers: van betaalmiddel, bewijs, winkeliersbon en bon tot het meer ambtelijke opschrift de gemeente verplicht zich aan toonder te betalen, dat in Druten en Amstenrade op de biljetten stond.

De noodgeldmachtiging werd al snel weer ingetrokken. De bezetter was niet van het noodgeld gediend, en bovendien was de maatregel na de capitulatie overbodig geworden. Vanaf 15 mei was DNB weer in staat alle bijkantoren te bevoorraden. De gemeenten moesten op 17 mei het noodgeld uit de circulatie nemen, en daarna aan het ministerie melden welke bedragen zij in omloop hadden gebracht. Soms kozen ze voor een gemakkelijke oplossing: terwijl er wel noodgeld was uitgegeven, deelden zij het tegendeel mede. “Met dit antwoord bespaarden zij zich een grote hoeveelheid werk”, schrijven de auteurs.

Ook dienden de gemeenten het uitgegeven noodgeld waardeloos te maken. Met opschriften als ongeldig, onbruikbaar, voldaan of vernietigd klaarden zij zich van dit karwei. Ook werden er soms gaatjes in de biljetten gemaakt. Daarna werd alles naar het departement gestuurd, waar ambtenaren alles controleerden. Tachtig gemeenten hadden biljetten met 160 verschillende coupures verzonden, in totaal 1.015.031 noodgeldbiljetten, die alle geteld werden. “Voor dit enorme werk werd assistentie verleend door twee 'beroepstellers' van De Nederlandsche Bank die in 5 dagen tijd 175.000 biljetten telden!”

Maar er bleef een tekort aan muntgeld bestaan. Oppotten bleef in zwang, en 's Rijks Munt kon de vraag naar munten dan ook niet aan. Dit veroorzaakte soms lokale initiatieven voor nieuw noodgeld. De Caféhouders Vereeniging te Simpelveld bracht bijvoorbeeld in juni 1941 nog bonnen van 0,10 en 0,25 gulden in omloop om de kassiers tijdens de aanstaande kermis niet in problemen te brengen. Pas met de uitgifte van zinken munten in 1942 kwam aan het geldtekort - en aan het noodgeld - een einde.