Sprekend verleden

Riekelt en Jannetje Weerstand hebben het eeuwige leven. Tenminste, daar lijkt het op nu zij de gebruikelijke levensduur met minstens zestig jaren hebben overschreden; vroeger wisten zij zelf ook niet beter of zij zouden ergens na de Wereldoorlog voorgoed rust vinden op het kerkhof van Urk.

Maar zeven jaar geleden zijn zij, samen met drie dorpsgenoten (Lubbert Hoefnagel, de weduwe Romkes en haar dochter) uit de dood gewekt om opnieuw in hun kleine huisje rond te scharrelen, visnetten te breien, eten te koken op de turfkachel en, als prijs voor hun wederopstanding, gesprekken aan te knopen met ietwat gegeneerde laat-twintigste-eeuwers. Riekelt vertelt keer op keer dat zijn zoon op zijn tiende al mee ging op visvangst met de botter - 'En daar was hij groots op, hoor!', verzekert hij - en Marretje Romkes van de overkant knikt, even opkijkend van haar breiwerk, naar het winkeltje-in-de-bedstee dat zij drijft sinds haar man op zee is gebleven.

Het blijft altijd 1905 voor ze, dat is de andere prijs die de Urkers voor hun onsterfelijkheid moeten betalen. Zij leven niet eens langzaam, zij staan stil.

Deze mensen zijn, zoals de lezer begrepen zal hebben, museumobjecten. Hun huisjes, die al lang niet meer voldeden aan de eisen van de moderne tijd, zijn afgebroken en weer opgebouwd in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen, een paar uur varen naar het westen. Stiekem zijn er nu verschillende Riekelts en diverse Jannetjes, want zij zijn personages geworden: rollen die worden vertolkt door vrijwilligers.

Het blijft een vreemde vorm van tentoonstellen, dit sprekende verleden. De moderne toerist knippert niet met de ogen als hij door het decor van het buitenmuseum wandelt (het is ongeveer even schilderachtig als de dorpjes in Zuid-Spanje), maar kijkt toch op van de confrontatie met een toeschietelijke autochtoon die nooit van Ajax of kauwgom heeft gehoord.

'Draag jij altijd deze kleren?' vraagt een blond meisje in een Donald Duck-trui aan Jannetje, die een blauwgeruite schort draagt over haar zwarte rok, en een kanten muts op het hoofd. 'Moeten ze nooit in de wasmachine?' Jannetje ontwijkt de vraag en neemt het kind vriendelijk mee naar haar tobbe en wasbord. Er ligt net een wasje klaar om te worden uitgespoeld. Het meisje mag helpen, maar weigert haar handjes in de emmer te steken. Ze weet dat ze iets geks beleeft, maar of ze begrijpt dat ze even in het verleden vertoeft, is de vraag.

Het verleden van vóór de wasmachine, de kauwgom en de Hemasokken glipt griezelig snel weg. In musea als dit wordt het nog even vastgehouden op een manier waar intellectuelen soms misprijzend over doen, omdat het een schijnwereld is, een gebrekkige nabootsing van het bestaan in vroeger tijden.

Zij hebben natuurlijk gelijk. Het verleden is hier als een opgewarmd prakje, dat vroeger, toen er nog geen magnetrons waren, altijd lekkerder was dan de eerste keer dat het werd opgediend, omdat er in de pan een extra klontje vet bij was gedaan.

Maar wie weet dat straks nog, van dat prakje? Wie herkent nog, zoals ik tot mijn vreugde in een ander huisje deed, de lucht van een petroleumstel? (De beelden die met een geur je hoofd in stromen zijn net oude dromen, en even ongrijpbaar helaas, want ik weet toch niet meer of de herinnering nu bij mijn Haagse grootmoeder thuishoort, of ergens anders.)

Zo'n museum is gestold collectief geheugen, kant en klare ontroering. Het leitje op de deur van de schilder, waarop een naam kan worden ingevuld: De schilder is bij .... Natuurlijk, zo ging dat in een dorp! denk je opgetogen. Je wist het niet, maar je had het kunnen weten.

Antropologen hebben iets merkwaardigs vastgesteld over het collectieve geheugen. Als zij bij ongeletterde volken verhalen aanhoren over oorlogen of andere ingrijpende gebeurtenissen van vroeger, worden die nooit verder terug in het verleden geplaatst dan 'de vader van mijn grootvader'. Verder reikt het voorstellingsvermogen niet, langer geleden kàn niet - ook al bewijzen historische bronnen dat het in 1730 is gebeurd.

Dat belooft weinig goeds voor de toekomst van Riekelt en Jannetje. Je ziet nu al dat vooral oudere mensen plezier beleven aan het zien van hun gedoetje uit overgrootmoeders tijd. De gemiddelde mens wil niet weten maar herkennen. Hij wil hoogstens puzzelstukjes invullen tussen de fragmenten van wat hij al wist - naar kennis van compleet nieuwe zaken gaat zijn hart niet uit. Dat is werk voor historici, en een enkele liefhebber.

De oplossing is niet zo moeilijk. Jannetje en Riekelt uit 1905 moeten nodig een generatie verder springen en hun eigen kinderen gaan uitbeelden, midden in de crisistijd. Die hebben dan misschien al radio, wat voor de audiovisueel opgegroeide bezoekers wel leuk zou zijn. Over dertig jaar, misschien al eerder, moet dan de volgende sprong worden gemaakt, naar de jaren zestig. Voor een hele naoorlogse generatie is dat alweer de glorietijd van hun ouders, wat zeg ik, van hun opa en oma.

Bij wat daarna komt stokt de verbeelding. Een evocatie van de jaren negentig in het museum is niet voor te stellen. Er is al een tijdje belangstelling voor de toekomstvisioenen van onze voorouders, vertederende, onhandige projecties waarin essentiële vernieuwingen juist ontbreken. Maar wat het geschiedbeeld zal zijn van het nageslacht, de geuren waar zij nostalgisch van worden (friet? kerosine?) en hoe wij daarin zelf zullen figureren, is een veel groter geheim. Het Openluchtmuseum van 2056, waar de babys van nu zullen worden aangeklampt door interimmanagers, rappers - of journalisten: je moet er niet aan denken.