Portugal met zes ex-kolonies samen in een verbond

LISSABON, 17 JULI. Portugal en zes van zijn voormalige kolonies hebben zich vandaag aaneengesloten in een nieuw politiek, cultureel en economisch verbond, de Gemeenschap van Portugeestalige Landen (CPLP).

De presidenten van Portugal, Brazilië, Angola, Mozambique, de Kaapverdische Eilanden en Guinee Bissau, alsmede de premier van São Tomé en Principe, zijn voor de ondertekeningsceremonie van het bondgenootschap bijeen in Lissabon, waar ook het hoofdkwartier van de organisatie zal worden gehuisvest.

In de lidstaten van de nieuw gevormde CPLP wonen meer dan 170 miljoen Portugeestaligen, ook wel lusofonen genoemd. Het verbond kwam tot stand op initiatief van Portugal en Brazilië en heeft tot doel de politieke, culturele en economische banden tussen de voormalige Portugese kolonies te verstevigen. Diplomaten menen dat de nieuwe organisatie een impuls kan betekenen voor de handel, de investeringen in de particuliere sector en de samenwerking op politiek gebied.

Volgens een woordvoerder van de Portugese ambassade in Den Haag zal Portugal de belangen van de leden van de CPLP binnen de EG behartigen. Als voorbeeld noemde hij de kwestie Oost-Timor, een voormalige Portugese kolonie die in 1976 werd geannexeerd door Indonesië. Portugal oefent al jaren druk uit op de Indonesische regering om recht op zelfbeschikking te verlenen aan Oost-Timor.

Een drijfveer voor Portugal tot het initiatief is zijn verlangen om de banden aan te halen met zijn voormalige Afrikaanse kolonies, waar Frankrijk en Groot-Brittannë terreinwinst lijken te boeken. Brazilië, de andere initiatiefnemer voor de CPLP, waar drie kwart van 's werelds Portugeestaligen wonen, is op zoek naar nieuwe markten in Afrika.

Portugal verliet zijn laatste kolonie in Afrika in 1976, nadat de dictatoriale regering van het land ten val was gebracht bij een staatsgreep. De afgelopen jaren is de invloed van Lissabon in Afrika sterk afgenomen. Op verscheidene terreinen lijkt Portugal de slag met Groot-Brittannië en Frankrijk te verliezen. Zo sloot Mozambique zich in november 1995als eerste staat zonder historische banden met Groot-Brittannië aan bij het Britse Gemenebest en overwogen Guinee-Bissau en São Tomé en Principe recentelijk toe te treden tot de Frans-Afrikaanse monetaire unie, de CFA. Daarnaast is sinds Portugal zijn voormalige bezittingen losliet, overal, behalve in Brazilië, het gebruik van de Portugese taal afgenomen. Dit geldt speciaal voor de Indiase staat Goa, het eiland Macau, dat in 1999 moet worden overgedragen aan China, en Oost-Timor.

Het plan voor een unie van Portugees-sprekende landen bestaan al jaren, maar werd steeds gehinderd door conflicten tussen de potentiële lidstaten. De oprichting van de CPLP was aanvankelijk vastgesteld voor 1994, maar moest worden uitgesteld omdat de president van Angola, Jose Eduardo dos Santos, niet kon verschijnen op de ondertekeningsceremonie. Hij zou zich beledigd hebben gevoeld door opmerkingen door de toenmalige Portugese president, Mario Soares, die hij als te vriendschappelijk beschouwde tegenover de UNITA, de Angolese rebellenbeweging. Ook de keuze voor Marcolino Moco, de voormalige premier van Angola, als secretaris-generaal van de CPLP zorgde voor beroering. Itamar Franco, de Braziliaanse ambassadeur in Lissabon en voormalig president van Brazilië, meende toen dat een land dat nog steeds kampt met de gevolgen van een burgeroorlog niet in staat is leiding te geven aan de CPLP.