Nederland groeit 'meedogenloos'

Nederland is het op drie na beste land om in te leven, zegt de VN-organisatie UNDP. In het nieuwe jaarrapport waarschuwt het bureau voor verkeerde vormen van economische groei. Nederland dreigt zich juist te ontwikkelen tot een 'foute' groeier, zo blijkt uit CBS-cijfers.

ROTTERDAM, 17 JULI. Grote inkomensverschillen belemmeren de economische ontwikkeling van een land. Dat stelt de ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties (UNDP) in het vandaag verschenen Human Development Report 1996, dat dit jaar veel aandacht besteedt aan de kwaliteiten van economische groei.

Van groei op zich wordt een land niet beter. “De echte vraag moet zijn: groei van wat, en voor wie. Toename van vervuiling, wat vraagt om meer milieumaatregelen? Groei van criminaliteit, wat emplooi geeft aan een leger van advocaten? Groei van het aantal auto-ongelukken waardoor er meer mecaniciens nodig zijn?” zijn de retorische vragen die de UNDP stelt. “Dit is niet wat de meeste mensen willen, maar toch kan dit alles zorgen voor een groei van het nationaal inkomen.”

Er is iets mis met dit instrument om welvaart te meten. Het houdt namelijk geen rekening met immateriële factoren, zoals opleidingsniveau, natuurlijke hulpbronnen en persoonlijke vrijheid. Bovendien worden 'goede' zaken als de bestedingen aan onderwijs even zwaar meegeteld als de uitgaven aan de 'slechte' defensie-industrie.

Niet de kwantiteit, maar de kwaliteit is wat telt, vindt het United Nations Development Programme. Daartoe onderscheidt het vijf verschillende soorten 'verkeerde' groei: baanloze groei, meedogenloze groei, stemloze groei, ongewortelde groei en toekomstloze groei.

De eerste variant houdt in, dat de economie wel groeit, maar dat er nauwelijks meer banen bijkomen - of dat de werkgelegenheid zelfs afneemt. Voorbeelden zijn de ontwikkelingslanden India - waar het bruto binnenland produkt (BBP) tussen 1975 en 1989 jaarlijks met vijf procent toennam, terwijl de jaarlijkse banengroei slechts twee procent bedroeg - en Ghana. In dit Afrikaanse land daalde de werkgelegenheid tussen 1986 en 1991 zelfs met dertien procent, terwijl het BBP met 4,8 procent groeide. De UNDP kwalificeert voldoende werkgelegenheid als een vorm van nationale veiligheid. “Veel te lang heeft de idee geleefd dat veiligheid is terug te voeren tot militaire zekerheid of de veiligheid van de staat.” De zekerheid zelfstandig een inkomen te verwerven, is volgens de UNDP even belangrijk.

Meedogenloze groei is groei die aan de armen voorbijgaat. Alleen de rijken profiteren ervan. Dit gaat ten koste van de hele natie, omdat de capaciteiten van de armen niet gebruikt worden. Ze krijgen weinig opleiding, zijn vaak ondervoed en ongezond, en daardoor kunnen ze niet ten volle presteren. Door betere voeding zou de arbeidsproduktie met 47 procent kunnen toenemen. Een jaar extra onderwijs doet het inkomen op termijn met negen procent stijgen. De UNDP heeft voor dit verschijnsel een nieuw meetinstrument ontwikkeld: de capability poverty measure (CPM), een ranglijst die laat zien in welke landen de inwoners de beste toegang hebben tot gezondheidszorg, onderwijs en goede voeding. De CPM-ranglijst wordt alleen voor ontwikkelingslanden opgesteld. Aan de lijst is te zien, dat veel landen zeer efficiënt met hun inkomen omgaan. Landen als Costa Rica en Cuba hebben een hogere plaats op de CPM-ranglijst, dan op de BBP-ranglijst, wat betekent dat ze relatief weinig inkomen hebben, maar wel goede voorzieningen. Voor landen als Eqypte en Guatemala geldt het tegengestelde.

Economische groei gaat niet altijd gepaard met democratie. De UNDP noemt dit stemloze groei. Dit begrip hangt samen met de ongewortelde groei, ofwel groei die voorbijgaat aan de culturele identiteit van een land. Een voorbeeld hiervan is het Midden-Amerikaanse Guatemala, waar volgens de UNDP zestig procent van de bevolking van inheemse afkomst is, terwijl de regering niet één van hun talen heeft erkend. In Zwitserland daarentegen spreekt slechts één procent van de bevolking Rhetoromaans, terwijl het wel een officiële taal is.

De als laatste onderscheiden 'verkeerde' groei, de toekomstloze groei, betrekt het milieu en de grond- en delfstoffen bij de cijfers. Een experimentele meting van de VN bijvoorbeeld laat zien dat de netto investeringen in Mexico in de jaren 1986-1990 700 miljoen pesos negatief waren. Wie het verlies aan natuulijke hulpbronnen niet had meegerekend, kwam uit op (positieve) investeringen van 4,6 miljard pesos.

Veel lof heeft de UNDP voor Nederland. Op de ranglijst van de human development index (HDI), het paradepaardje van de instelling, staat Nederland voor het tweede achtereenvolgende jaar op de vierde plaats. De drie beste landen ter wereld om in te leven zijn Canada, de Verenigde Staten en Japan.

De HDI meet drie fundamentele waarden: gezondheid, kennisniveau en levensstandaard. De index, die tussen nul en één ligt, heeft slechts zeer ten dele met inkomen te maken. Het Nederlandse reële BBP per hoofd van de bevolking (in koopkrachtpariteiten) bedroeg in 1993 17.340 dollar, terwijl dat in Qatar bijvoorbeeld veel hoger lag: 22.910 dollar, het hoogste inkomen in de wereld op de VS en Luxemburg na. De oliestaat komt gemeten in menselijke ontwikkeling echter pas op de vijftigste plaats.

De kwaliteit van de groei in Nederland is hoog, zegt de UNDP. Gemeten naar inkomensongelijkheid staat Nederland op de tweede plaats in de Europese Unie. De Nederlandse groei is daarmee - in UNDP-termen - niet meedogenloos.

Maar dit lijkt te gaan veranderen. Cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) laten zien dat de inkomensgroepen geleidelijk uit elkaar groeien. Het CBS-cijfer voor het jaar 1991 laat zien dat de rijkste twintig procent van de huishoudens 4,1 maal zoveel verdiende als de twintig procent huishoudens met de laagste inkomens. In 1994 was dit cijfer gegroeid tot 4,4. (Ter vergelijking: in de geïndustrialiseerde landen met de ongelijkste inkomensverdeling, Australië en Groot-Brittannië, verdienen de bovenste twintig procent 9,6 maal zoveel als de onderste twintig procent, gemeten over de jaren 1981-1991.)

Het gemiddeld besteedbaar inkomen van de armste twintig procent in Nederland is sinds 1992 gedaald van 12.800 gulden tot 12.400 gulden. De armen worden dus armer, en dat is juist waar het Human Development Report voor waarschuwt in de paragraaf over de meedogenloze groei. Arme mensen zijn vaak ondervoed, ongezond en onopgeleid. Inkomensongelijkheid is geen teken van ontwikkeling, zoals veel regeringen volgens de VN-organisatie denken: “(..) meedogenloze groei is noch wenselijk, noch efficiënt.”