Kok: Nederland huilt bij onvoorstelbaar verlies

EINDHOVEN, 17 JULI. “Nederland huilt bij het onvoorstelbaar verlies van 32 meestal jonge mensenlevens, in de knop gebroken.” Er klinken ingehouden snikken wanneer minister-president Kok deze woorden richt tot de circa duizend aanwezigen, vrienden en nabestaanden van de 32 slachtoffers van de ramp met de Hercules C 130, die bijeengekomen zijn in Hangar A van vliegbasis Welschap, vlakbij de plaats van het ongeluk.

Even eerder, om klokslag elf uur, zijn onder de plechtige tonen van de Koninklijke Militaire kapel prins Willem Alexander, in legergroen majoorsuniform, minister Voorhoeve en staatssecretaris Gmelich Meijling (Defensie), en de Belgische minister van Landsverdediging, Poncelet, binnengekomen.

Vooraan in de hangar, ter weerszijden van de Erewacht, liggen tientallen bloemenkransen, onder meer van koningin Beatrix, de Belgische koning en de regeringen van beide landen.

Maar ook van de Italiaanse Carabinieri en het Oostenrijkse orkest dat vorige week in Modena is opgetreden naast het Fanfarekorps Koninklijke Landmacht, waarvan 28 leden zijn omgekomen.

Begeleiders in witte verpleegstersuniform dragen glazen water rond, nabestaanden druppelen binnen, met bleke gezichten, elkaar omarmend, een zakdoek, of zelfs een teddybeer stijf in de handen gedrukt. Woorden schieten tekort, en toch moet het hier met woorden van medeleven en sympathie gezegd worden, dat is de strekking van alle toespraken.

“Ook het overlijden van onze Belgische collega's komt hard aan”, zegt Voorhoeve. Het verdriet verenigt de Belgische en Nederlandse strijdkrachten. Ook Poncelet wijst, eerst in het Nederlands en dan in het Frans op het verdriet dat “onze landen dichter bij elkaar brengt”. In de oecumenische plechtigheid spreken drie geestelijke verzorgers.

De bijbelteksten van de dominee en de katholieke aalmoezenier - “de dood is sterk, maar sterker dan de dood is de liefde, de liefde vergaat nimmermeer” - worden afgewisseld door de vrijere en lyrische teksten van de humanistische raadsman, die de jongens en meisjes van het fanfarekorps “de boodschappers van lichtvoetigheid” noemt, “de swingende notenbalk van defensie”, die hulde brachten met fluit en trom, en vaak de “wonderlijke” reisgenoten waren van hun collega's op weg naar brandhaarden als Joegoslavië.

Voor de aanwezigen ongetwijfeld het emotioneel moeilijkste moment breekt aan als de namen van de slachtoffers op alfabetische volgorde worden afgeroepen, gevolgd door een minuut stilte.