Duitse mark winnaar tegen wil en dank

AMSTERDAM, 17 JULI. “Veelbelovend en positief” noemden de leiders van de zeven grootste industrielanden twee weken geleden de stijging van de koers van de dollar tot boven 1,70 gulden die zich sinds april van dit jaar voltrok. 'Bedreigend en negatief' zal de Europese kwalificatie zijn voor de scherpe daling van de dollarkoers die zich thans in het kielzog van de turbulentie op Wall Street voltrekt.

De fall out van een verdere Amerikaanse beurscorrectie dreigt zich via de dollarkoers veel verder uit te strekken dan alleen een corresponderende beursdaling in Europa.

Van een slot boven 1,71 gulden maandagmiddag dook de dollar gisteren gedurende de dag met centen tegelijk naar beneden tot onder 1,67 gulden aan het einde van de Europese middag, en bereikte in de late middag in New York zelfs in een paar minuten tijd even een koers van 1,6530 gulden - de laagste sinds begin april. Vanmorgen krabbelde de dollar iets op, maar bleef rond 1,67 gulden noteren.

Daarmee is het in Europa zo gewenste herstel van de Amerikaanse munt tot boven 1,70 gulden, dat in april inzette, in één dag teniet gedaan. Als de zwakte aanhoudt kunnen de planners bij de overheid, banken en bedrijven opnieuw aan het werk. Juist de laatste maanden had zich onder de meeste van hen een consensus afgetekend van een verder stijgende dollar tot een koers in guldens van tussen 1,75 gulden en 1,80 gulden, die pas veel later weer iets zou afzwakken.

De belangrijkste pijler onder dat gunstige vooruitzicht was de verwachting van een stijgende rente in de VS, vanaf het niveau van 5,25 procent nu, terwijl de Duitse rente voorlopig onveranderd blijft op 3,3 procent, of nog iets daalt. Daarmee wordt de dollar volgens de gangbare economische wetten relatief aantrekkelijker dan de mark.

Niet dat deze wetmatigheid ook echt opgaat: hij werkt in de praktijk even vaak wel als niet. Bij een dalende Duitse (en Nederlandse) rente en een stijgende Amerikaanse rente in het voorjaar van 1995 bereikte de dollar juist een historisch dieptepunt van 1,51 gulden.

Net zoals destijds lijkt de transatlantische wisselkoers op dit moment eerder het resultaat van een dramatische ommekeer in de algemene risico-perceptie onder beleggers. Die hogere risico-perceptie vindt zijn uiting in een 'vlucht in kwaliteit'. Naast een beweging vanuit de dollar in de Duitse mark, doen ook de andere traditionele verschijnselen van de 'vlucht' zich in Europa voor: de beweging vanuit de Duitse mark in de nog 'veiliger' Zwitserse franc, de enige munt die gisteren in koers won op de mark, en een ijlingse terugtocht van valuta- en obligatiebeleggingen uit de Europese periferie naar de monetaire kern van de Europese Unie, waarvan Duitsland het hart vormt. Terwijl Duitse obligaties gisteren in de loop van de dag aan kracht wonnen, doken die in landen als Italië, Spanje en Zweden omlaag, en dat gold ook voor de bijbehorende nationale munten. Het pond sterling won gisteren op de VS, maar gaf terrein prijs op de Duitse mark.

Het geloof in de rente als sturende factor voor de wisselkoers van de dollar en de mark droeg gisteren wel bij aan het koersverlies van de Amerikaanse munt. Een verdere verlaging van de Duitse rente werd eind vorige week minder waarschijnlijk geacht toen de Nederlandsche Bank zijn beleningsrente van 2,6 procent naar 2,7 procent opschroefde na een verzwakking van de gulden tegenover de mark. Kennelijk zag de Nederlandse centrale bank in dat de Duitse rente niet verder zou dalen.

Aan Amerikaanse kant herinneren beleggers zich maar al te goed de reactie van de monetaire autoriteiten op de krach van oktober 1987: om het verder ineenstorten van de aandelenmarkt tegen te gaan, zette de Amerikaanse Federal Reserve Board, het stelsel van centrale banken, de geldkraan toen wijd open, met een lagere rente als gevolg. Hoe groter op de financiële markten het geloof wordt in een nog zwaardere correctie op de aandelenmarkt dan nu al het geval is, hoe groter de kans wordt ingeschat dat de Federal Reserve per 20 augustus zal afzien van een renteverhoging, hoezeer de snel groeiende Amerikaanse economie ook voor een verhoging aanleiding geeft.

Dat is te zien aan de dollarkoers: precies op het moment dat gisteren het Dow Jones-gemiddelde op Wall Street opnieuw zakte met 167 punten, scheerde de dollar in een paar minuten tijd anderhalve cent omlaag naar zijn dieptepunt van 1,6530 gulden. Toen de Amerikaanse beursbarometer uiteindelijk toch nog 9 punten hoger sloot, veerde de dollarkoers weer iets op.

Bundesbank-president Hans Tietmeyer probeerde de onrust rond de dollar gisteren te sussen door openlijk te benadrukken dat de Duitse rente voorlopig niet omhoog zal gaan, en mogelijk zelfs nog iets omlaag kan. Bij een beslissing daarover, die de Bundesbank volgende week donderdag neemt, speelt de publicatie van de geldgroei in Duitsland over juni een overheersende rol. Als de geldgroei ook in juni rond 10 procent, ver boven het streven van de bank, blijkt te zijn gegroeid dan is de kans op een Duitse renteverlaging een stuk kleiner. Maar wie weet, redeneert de valutamarkt, knijpt de Bundesbank wel een oogje dicht.

Want een nieuwe 'vlucht in kwaliteit' komt Europa, en vooral Duitsland, slecht uit. Een verdere stijging van de Duitse mark kan, evenals vorig jaar, het aarzelende herstel van de Duitse economie bedreigen. En het proces van elkaar naderende Europese wisselkoersen en rentevoeten, dat zich juist in de loop van dit jaar voltrok, kan erdoor tot een abrupt einde komen. Met alle nadelige gevolgen voor het vertrouwen in de Economische en Monetaire Unie.

    • Maarten Schinkel