Wijze koning Durlacher

Indertijd toen hij op het Sociologisch Instituut werkte vertoonde Gerhard Durlacher al een treffende gelijkenis met koning Hollewijn. Op een kubusvormig lichaam stond een kalend eivormig hoofd met een kortgeknipte peper-en-zoutkleurige baard en een paar vriendelijke wijze ogen achter een grote lichte bril.

Hij bewoog zich ook over straat in het tempo van genoemde vorst. Als ik een enkele keer samen met hem naar het station liep, dan leidde dat voor mij altijd tot een trein later. Tijdens de tocht werd dan eerst lacherig de toestand op het instituut doorgenomen en vervolgens, ernstiger, de toestand in de wereld. Beweringen van Lou de Jong passeerden de revue of uitspraken van G.B.J. Hiltermann. En wanneer Gerhard zich aan zo'n bewering geërgerd had, dan werd zijn stem opeens breder om ruimte te bieden voor zijn misprijzen. En dat misprijzen was altijd gebaseerd op een wijs overwegen.

In een belangrijk opzicht week het uiterlijk van Gerhard af van dat van Hollewijn. Hij droeg altijd een hoofddeksel. Meestal een baret, maar vaak was het ook een ijsmuts. En hier was, net als bij religieus ceremonieel, het uiterlijke teken een manifestatie van een innerlijke gesteldheid. Wanneer je Gerhard vroeg hoe het met hem ging, dan kreeg je meestal in drie zinnen een verslag over de werking van zijn nieren, zijn longen, zijn hart of een ander vitaal deel van zijn gestalte. Het hoofddeksel gaf als het ware de graad van zijn mankeren aan. Hier ligt het grote verschil met de wijze koning Hollewijn, die niet gebukt ging onder de belasting van een duister verleden.

Tijdens de Europese voetbalkampioenschappen werd van het slecht presterende Franse nationale elftal gezegd dat ze speelden alsof ze over het veld gingen met rugzakken op hun schouders. Gerhard Durlacher droeg zijn hele leven een zware rugzak. Een rugzak die hij voor de buitenwereld verborgen wilde houden, maar die zo zwaar was dat zijn leven vaak bijna onmogelijk werd. Een rugzak barstensvol hel uit de kampen in Duitsland. Hij was een geëngageerd en gewetensvol socioloog, belezen in de klassieken, helder denkend en zorgvuldig formulerend, maar te zwaar gehandicapt om zijn potentie te realiseren. En onderzoek van de sociale werkelijkheid deed pijn. Zijn onderzoek, eind jaren zestig, voor de Wiardi Beckmannstichting over de 'laagstbetaalden' is een klassieker. Hij schrijft daarin van de 'duivelskring der armoede' waar de armen in geraakt zijn. “...mensen zijn arm omdat ze onvoldoende middelen hebben en die hebben ze niet omdat ze arm zijn, en ze krijgen ze ook niet omdat ze weinig of geen politieke invloed kunnen doen gelden en die invloed blijft hun onthouden omdat ze arm zijn...” De maatschappij ziet hen als de 'onbruikbaren' - bejaarden, chronisch zieken en invaliden, vrouwen met kleine kinderen. Hij had gedurende de oorlog aan den lijve ervaren wat het is om als 'onbruikbaar' beschouwd te worden. Hij zag een beangstigende parallel tussen 'Judenfrage' en armoedeprobleem, tussen de door hem geschetste 'duivelskring' en die waar de joden nog steeds in verkeerden. Als socioloog had hij niet de kracht er doorheen te breken. De rugzak belemmerde hem. Die moest eerst open. En toen die openging, ging ook bij ons iets open en hebben we allen met hem gehuild. Daarvoor hebben zijn collega's aan de universiteit hem eredoctor gemaakt. Socioloog Gerhard Durlacher is dood. Maar leve de schrijver Gerhard Durlacher, wijze koning in de hartverscheurende strip die zijn boeken voor ons vormen.