Oranje boven

HET SEIZOEN VAN de Oranjemarsen in Ulster lijkt alweer over zijn hoogtepunt heen te zijn. En de opleving dit jaar van wat in wezen een folkloristisch verschijnsel is, zij het verweven met excessen van geweld en intimidatie, wekte de indruk vooral een manoeuvre van de protestantse achterhoede te zijn.

Het unionistische extremisme kan het zich nu eenmaal niet veroorloven om in het voetspoor van de vijand, de IRA, Tower Bridge of aanpalende monumenten in Londen op te blazen. Het laatste restje Britse sympathie zou dan worden verspeeld. De protestantse terreur beperkt zich noodgedwongen tot de eigen provincie. Slechts dominee Ian Paisley is het vergund om van tijd tot tijd in het hart van het Britse rijk alle retorische registers open te trekken.

Het laten doorgaan van de protestantse marsen door katholieke wijken van Belfast is dan ook minder de uitloper geweest van een samenzwering tussen de unionisten en 10 Downingstreet dan een poging van de toch al zwaar aangeslagen Britse regering om er maar het beste van te maken. Nu het legergroen praktisch uit de Ulster-straten was verdwenen, leek een herhaling van de gebeurtenissen van eind jaren zestig weinig aanlokkelijk. Toen liepen de Britse strijdkrachten met hun poging de katholieken tegen de protestanten in bescherming te nemen in de val die de IRA had opgesteld, een val waaruit het Verenigd Koninkrijk zich pas nu met enige kans op succes lijkt te kunnen bevrijden.

NA DE OPWAARDERING van de Noordierse republikeinen als politieke factor door, in willekeurige volgorde, president Clinton, de Britse en de Ierse regering, na het op gang komen van het zogenoemde vredesproces, na de recente verkiezingen voor een overlegorgaan dat weliswaar niet tot de annexatie van Ulster door Ierland, maar ten minste toch tot verregaande protestantse concessies moet leiden, na de hernieuwde IRA-aanslagen op Londen vooral, kon een extreem protestantse reactie niet uitblijven. Al was het maar om alle partijen aan en nabij de onderhandelingstafel nog eens van de betekenis van de protestantse factor in de (Noord-)Ierse politiek te doordringen. Maar veel meer dan de Oranjemarsen hadden de unionistische leiders niet in handen om indruk te maken.

De regering-Major heeft nog steeds een ongekende kans om de Ulster-tragedie tot een aanvaardbaar einde te brengen. Zij dient de unionisten met zachte, maar vaste hand tot de erkenning te brengen dat de tijden van protestantse suprematie in Ulster tot het verleden behoren. Daarin is zij al redelijk geslaagd. De oprispingen van geweld tijdens de afgelopen dagen behoeven niet als een bewijs van het tegendeel te worden uitgelegd. De protestantse meerderheid gaf uiting aan haar angst voor veranderingen die niet langer uit de weg kunnen worden gegaan. En de unionistische avant-garde blijkt intussen een eindweegs achterop te zijn geraakt.