Handschoenen uit

“WAT IS ER NU klaar als de reorganisatie klaar is”, wilde het Kamerlid De Graaf (D66) van zijn partijgenoot en minister van Justitie, Sorgdrager, weten tijdens de bespreking van de eerste voortgangsrapportage over de grootscheepse hervorming van het openbaar ministerie.

De parlementaire enquête opsporingsmethoden heeft wel laten zien dat de staande magistratuur (het OM) het nodige aan gezag heeft terug te winnen en er wordt veel verwacht van een al in gang gezet herstructureringsproject. De Graaf vond het allemaal nog “een redelijk hoog abstractieniveau hebben”.

Sorgdrager beaamde dat. Maar ze had een helemaal niet zo abstracte plannetje achter de hand: een directe regie van het openbaar ministerie door haar eigen departement. Dit blijkt uit de notitie die zij de dag van het zomerreces aan de Tweede Kamer toestuurde over de ministeriële verantwoordelijkheid voor het OM. Uit de Kamer was geklaagd dat de enige reden voor vertraging van de reorganisatie gelegen zou zijn in de relatie tussen de staande magistratuur en de minister van Justitie. Deze is van oudsher een teer punt, want te nauwe banden met de minister brengen het gevaar van politieke beïnvloeding van strafvervolgingen mee.

ER IS EEN TRADITIE die wil dat dit probleem slechts wordt aangepakt met fluwelen handschoenen, zoals het is genoemd. Sorgdrager trekt deze nu kordaat uit. Zij eist “volledige verantwoordelijkheid en volledige zeggenschap” over de staande magistratuur. De minister moet kunnen interveniëren in de besluitvorming over het al dan niet instellen van een strafvervolging, zowel in positieve zin (opdracht tot strafvervolging) als in negatieve zin (opdracht van vervolging af te zien). Zelfs de rechtszaal is niet veilig. Sorgdrager claimt zonodig “volledige zeggenschap over het requisitoir” in de individuele strafzaak.

Een zekere afstand tot het politieke bestuur is wel aangewezen. Maar dit is niet een kwestie van recht maar van “politiekbeleidsmatige aard”. Daarmee onderstreept de bewindsvrouw nog eens haar ook elders verkondigde stelling “dat er helemaal niet onafhankelijk opgetreden kán worden door een officier van justitie”. Wie dat niet kan pruimen, raadt zij aan over te stappen naar de zittende magistratuur. Het is maar dat we het weten.

Staatsrechtelijk is het standpunt van Sorgdrager ongetwijfeld loepzuiver, maar voor de strafrechtspraktijk betekent het een waterscheiding. De verhouding van het OM tot de zittende magistratuur (de rechters) komt nog verder onder druk te staan. Veel rechters vragen zich al af of zij nog in dezelfde beroepsvereniging (de Nederlandse vereniging voor rechtspraak) thuishoren als de officieren. Met deze combinatie begint trouwens ook Sorgdrager zelf moeite te krijgen, vertelde zij de Tweede Kamer in mei.

ALS HAAR STANDPUNT wordt uitgevoerd, blijven de gevolgen niet beperkt tot de structuur van de beroepsvereniging. Het heeft directe gevolgen voor de geloofwaardigheid van de aanklager in de rechtszaal. Het OM mag ook steeds meer zaken zelf afdoen met een transactie. Dat valt moeilijk te rijmen met officieren van justitie die niet meer zijn dan strafrechtelijke belangenbehartigers van het bestuur.