Een samenstelsel van vormpjes en kleurtjes

Nederlandse architecten 2/Dutch Architects 2. Uitg. Bis Publishers. Prijs ƒ 125,-

Het is niet moeilijk om vast te stellen hoe het met de Nederlandse architectuur gaat. Uit het raam van auto of trein kijken is voldoende. Sinds kort is het zelfs mogelijk om thuis te blijven en toch een goede indruk van de bouwkunst in Nederland te krijgen, want onlangs verscheen bij uitgeverij BIS Publishers Nederlandse architecten 2. Samen met het al vorig jaar uitgebrachte Nederlandse architecten 1 geeft het boek goed de stand van zaken weer in de Nederlandse architectuur.

Nederlandse Architecten 1 en 2 zijn niet kritisch: tegen betaling krijgen architecten in deze boeken de ruimte om hun werk te presenteren. Ze doen dit vrijwel allemaal door het tonen van foto's, tekeningen en maquettes van hun recente werk, aangevuld met korte teksten die bol staan van woorden als 'meerwaarde' en 'kwaliteit'. Alleen de Architekten Cie, het bureau waarin Carel Weeber, Frits van Dongen, Pi de Bruijn en J.D. Peereboom Voller zich hebben verenigd, laten niets van hun gebouwen zien, maar tonen zichzelf tegen een achtergrond van kale rotsen.

Ondanks of eigenlijk dankzij het reclamefolderkarakter is het boek leerzaam. Zo zijn er, zoals Martin Bril in het voorwoord al opmerkt, vrijwel geen mensen te zien op de foto's, zodat de conclusie voor de hand ligt dat architecten wel een hekel aan mensen moeten hebben. Verder is tachtig tot negentig procent van de foto's gewijd aan de buitenkant van de gebouwen. Architecten klagen vaak dat critici voornamelijk oog hebben voor het exterieur van een gebouw en nauwelijks voor het interieur, maar als zij hun eigen werk laten zien, tonen ze toch ook vooral de buitenkant. Ook valt aan de hand van het boek precies vast te stellen hoe het staat met de mode in de architectuur. Vorig jaar werd op de Achterpagina een aantal modeverschijnselen in de bouwkunst van de jaren negentig gesignaleerd: de dikke, klassieke gevelrand, het 'bakkie' (de al dan niet ronde uitstulpingen in gevels), het golvende dak, de strepengevel, de zonneklep, de schuine, vooroverhangende façade, luchtbruggen, hellingbanen, schermen voor de gevel, en de gekromde of slingerende gevel. Nederlandse Architecten 2 bevestigt alle modes. Alleen het 'bakkie' heeft als modeverschijnsel niet doorgezet. Daar staat tegenover dat van de vele bouwmaterialen er in het boek nu drie naar voren komen als echt modieuze materialen. Golfplaat is definitief het signaal geworden dat het hier gaat om eigentijdse, avantgardistische architectuur; het aloude baksteen maakt een opmerkelijke herwaardering door en 'natuurlijk, eerlijk' hout is op talloze gevels te zien.

Ook de mode van de jaren negentig bij uitstek - de collage van materialen en vormen - is in overweldigende mate waarneembaar in Nederlandse Architecten 2. De gebouwen in het boek kunnen in twee categorieën worden verdeeld: terughoudende, vaak saaie architectuur en de bonte collages van fragmenten met ieder een eigen kleur of materiaal. Hiervan storen de saaie gebouwen eigenlijk het minst: ze vormen, zelfs als ze in wezen lelijk zijn, het noodzakelijke neutrale stadsdecor waartegen stadhuizen, politiebureaus, theaters en andere vooraanstaande gebouwen kunnen (en moeten) opvallen. Anonimiteit en neutraliteit zijn kwaliteiten die in de architectuur te weinig worden gewaardeerd.

Echt om dol van te worden zijn de woningen, kantoren en bedrijfspanden die bestaan uit opeenstapelingen van vormpjes en kleurtjes. Talrijk zijn de voorbeelden in Nederlandse Architecten 2 van gebouwen die niet meer zijn dan een lukrake, gemakzuchtige greep uit de architectuurmodecatalogus van de jaren negentig. Soms is de greep uit de catalogus zo smakeloos dat hij goed is voor een lach, al kan die niet gul zijn door het besef dat het gebouw er ook nog staat als men uitgelachen is. Goed voor de hardste lach in Nederlandse Architecten 2 is het winkelcentrum van Leusden van Inbo Architecten. Maar liefst twee vooroverhangende gevels heeft dit gebouw, en bovendien een golfdak, een strepengevel en zelfs een klein luchtbruggetje. En precies zoals het hoort in de jaren negentig heeft elk deel van het collagegebouw zijn eigen kleur en materiaal gekregen. Dit winkelcentrum is zó modieus, dat het bizar is geworden.

    • Bernard Hulsman