Bazen

De oudere Nederlander, zo meldt de Volkskrant vanochtend, is een kritisch mens. Je zou hem ook een onverbeterlijke mopperpot kunnen noemen. Volgens een rapport van het Centraal Bureau voor de Statistiek is slechts vier procent van de ouderen tevreden over onze maatschappij.

De jongeren zijn iets meer bereid om de zon in het water te zien schijnen, maar roekeloze optimisten kan je ze beslist niet noemen. Van hen is twintig procent tevreden. De slechtheid van de maatschappij schijnt het levensgeluk niet aan te tasten. Negentig procent van de Nederlanders zegt gelukkig te zijn. Ze vallen de enquêteurs niet graag lastig met hun eigen zorgen, vermoedt de CBS-onderzoeker. Gemiddelde Nederlander, u en ik zijn één. Ook ik zou niet graag willen dat het volgende wordt opgevat als een persoonlijke jammerklacht. Gejammer dat meteen ontkracht zou worden door het bericht in dezelfde krant dat Nederland, volgens de Human Development Index van de Verenigde Naties, na Canada, de Verenigde Staten en Japan het beste land is om in te wonen.

Nee, het gaat me om een zuiver wetenschappelijk vraagstuk. De vraag hoe het komt dat de meeste mensen in de rijke Westerse landen steeds minder rijk worden. Ik kan me de tijd heugen dat de communisten bijna dagelijks te hoop liepen om te protesteren tegen een nieuwe aanval op het levenspeil van de werkende bevolking. Het was in de tijd dat die bevolking ieder jaar rijker werd. Nu is er echt sprake van teruggang. Je kan niet zeggen dat niemand er een mond over open doet. Een tijdje geleden waren er in Duitsland enorme demonstraties tegen de beperking van de sociale voorzieningen. Maar je hebt het idee dat die demonstraties geen kracht en geen gevolgen hebben, omdat de meeste mensen in hun hart denken dat de maatregelen waartegen ze protesteren zo onvermijdelijk zijn als het weer.

Hoe komt het dat de droom dat wetenschap en techniek tot steeds groter welvaart zouden leiden voor de bevoorrechte Westerse mens, niet uit is gekomen? Er wordt geopperd dat het komt door de Aziatische landen, die een steeds groter deel van de wereldkoek opmaken. Maar vroeger werd juist gedacht dat de uitbreiding van de wereldeconomie voor iedereen gunstig zou zijn. En als die Aziatische economieën plotseling weg zouden vallen, zou er bij ons niet worden gejuicht over de verdwijning van een concurrent, maar gejammerd over het wegvallen van een motor voor de groei.

Ook wordt de schuld wel gelegd bij de onproduktieven, die als een steeds zwaardere last op de schouders van de werkenden liggen. Maar in de Verenigde Staten, waar de werkloosheid minder is dan in Europa, is de verarming juist veel duidelijker opgetreden. De doorsnee Amerikaan verdient aanzienlijk minder dan twintig jaar geleden en hij moet er langer voor werken.

Het is dan ook een Amerikaanse econoom die met een overtuigender verklaring kwam. Ik las een bespreking van het boek Fat and Mean van David M. Gordon. Hij gebruikt, schrijft de bespreker van de New York Times goedkeurend, dezelfde geavanceerde computertechnieken als zijn collega's, maar hij komt tot een andere conclusie dan de meesten van hen. De Amerikaanse verarming wordt volgens Gordon veroorzaakt door de groei van het aantal managers. Managers in de brede zin van het woord: mensen die zelf niets produceren, maar toezien op anderen die dat wel doen. Toezicht dat vaak een zeer onvriendelijk karakter heeft. Vroeger werd werkers de smakelijke wortel van loonsverhoging voor de neus gehouden. Nu is het de stok van dreigend ontslag. Het is niet alleen dat de managers zichzelf steeds hogere salarissen toekennen die ten koste gaan van de inkomsten van de werkelijk produktieven, ze scheppen ook een werkklimaat dat zeer ongunstig is voor de groei van de produktiviteit. Beloningen voor harder en beter werken zijn er steeds minder. Het gevolg is dat er steeds harder toezicht nodig is. De klasse van mensen die toezicht houden op de werkers en op toezichthouders van lager niveau breidt zichzelf op natuurlijke wijze uit. Gordon heeft uitgerekend dat het besteedbaar inkomen van de gemiddelde Amerikaanse werknemer, gecorrigeerd voor inflatie, sinds 1970 een procent per jaar gedaald is. De oorzaak is volgens hem niet Azië of de uitkeringstrekkers, maar de parasitaire klasse van managers, die op een steeds groter deel van het nationaal inkomen beslag legt.

Dit gaat over de Verenigde Staten, maar een Nederlander kan er veel in herkennen. Ook hier is het zo dat er in verhouding steeds minder mensen zijn die duidelijk nuttig werk doen. Toezichthouders, adviseurs, beleidsmedewerkers en ander vaag spul komen er steeds meer. De privatisering van overheidsdiensten, bedoeld om grotere efficiëntie te bereiken, leidt overal tot het wegvloeien van gemeenschapsgelden naar onduidelijke externe bureaus, vaak van ambtenaren die zichzelf geprivatiseerd hebben. Voor de mysterieuze werkzaamheden die ze vroeger voor een ambtenarensalaris uitvoerden, rekenen ze nu de enorme bedragen die de markt voorschrijft. Het doet een beetje aan de Sovjet-Unie denken, waar de hoge partijfunctionarissen het staatsbezit privatiseren door het aan zichzelf en aan hun vrienden te geven.

Iedereen die bij een groot bedrijf werkt of bij een overheidsdienst kent het leger van de rondreizende moderne goeroes die met een toverlantaarn een praatje houden over managementstechnieken of andere hete kwesties van deze tijd. Niemand vindt het erg als ze alleen dure kletspraatjes houden.

In de Groene Amsterdammer van vorige week wordt geschreven over de marktonderzoeker Maurice de Hond, die tegenwoordig lezingen geeft over het Internet. De verslaggever heeft het boek van De Hond gelezen en gemerkt dat deze toekomstvorser niet eens weet wat de nieuwsgroepen op het Internet zijn. De Hond verwart ze met babbelboxen. Bedrijven vechten om een plaatsje in zijn agenda. Het kan ze helemaal niet schelen dat De Hond, toen hij besloot om zich in deze lucratieve markt te storten, de fase van het lezen van een boekje 'Internet voor beginners' heeft overgeslagen.

Het is maar een voorbeeld natuurlijk. Eigenlijk oneerlijk om nou net die De Hond te kiezen, omdat hij zo'n vertrouwd televisiegezicht is. Hij is met velen. Als economisch ongeschoolde ben je geneigd om de praktijken van de parasitaire managersklasse als randverschijnselen te beschouwen, die de economische kracht van een land niet werkelijk aantasten, maar David M. Gordon leert ons dat het anders is.