Alleen meer geld kan publieke omroep redden

De komst van commerciële televisie heeft de publieke omroep in het nauw gebracht. Volgens het recente advies van de commissie-Ververs is reorganisatie noodzakelijk. Veel te ingewikkeld, vindt B.M. Brans. Nodig is, heel simpel: geld.

Hoe merkwaardig het ook mag lijken, de komst van de commerciële omroep in Nederland is een goede zaak geweest. Iedereen kan nu in de praktijk zien en beleven, wat commerciële televisie ons te bieden heeft. Weinig dus. En zo weinig, dat zelfs voorstanders van minimalisering van de publieke omroep gaan beseffen, wat er verloren zal gaan en niet zal terugkeren. Ineens is nu duidelijk, dat de publieke omroep een duidelijke functie heeft in de samenleving: als verzorger van kwalitatief goede informatie, documentatie, educatie en vermaak.

Door tal van reorganisaties in de afgelopen decennia is er in de organisatie van de publieke omroep zó veel gewijzigd, dat het tijd werd de zaken weer eens duidelijk op een rijtje te zetten. De regering stelde een onderzoekscommissie in, bekend onder de naam van de voorzitter, Ververs. Die moest de principes, die ten grondslag liggen aan het mediabeleid en aan plaats, functie en taken van de publieke omroep nader uitwerken en met voorstellen komen.

De commissie heeft inmiddels gerapporteerd. Het ligt voor de hand, dat de aandacht van de omroepen en de commentatoren in de eerste plaats zou uitgaan naar het antwoord op de vraag, wat men nu eigenlijk met de publieke omroep wil. Moet de publiek omroep een dienende functie hebben voor het publiek of is dit soort omroep eigenlijk meer een speeltje van een groep cultuurfanaten, die het beste met ons voorhebben? Het zal duidelijk zijn, dat de antwoorden bepalend zijn voor de inrichting en bekostiging van het bestel.

De commissie-Ververs heeft aan dit punt zeer veel aandacht geschonken. De omroep acht zij een onmisbare schakel in het proces van maatschappelijke integratie. Willen mensen in de gemeenschap goed kunnen functioneren, dan moeten zij goed zijn geïnformeerd. De informatie moet ook nader worden geduid, ook en vooral als daar verschillende visies over bestaan. De pluriformiteit in de samenleving moet zichtbaar worden gemaakt en de discussie moet mogelijk zijn. Alhoewel de commissie duidelijk de kwaliteit en de pluriformiteit als uitgangspunt hanteert, trekt zij daaruit niet de voor de hand liggende consequenties.

Wie de kracht van de publieke omroep zoekt in de kwaliteit van de programma's en de deskundigheid en creativiteit van de medewerkers, moet zorgen voor de financiële middelen die daarbij horen. De omroepbijdrage staat op 184 gulden per jaar. Weliswaar kent Nederland sinds kort een indexering, maar de basis daarvan is veel te laag. Willen Nederland op gemiddeld Europees niveau (excl. Nederland) komen, dan moet het tarief naar 338 gulden per jaar.

Critici, die roepen dat we wel eens naar de BBC mogen kijken om te weten, hoe het moet, zouden eens naar die cijfers moeten kijken. Nu kan men met geld geen of weinig creativiteit genereren. Maar men kan wel toegespitste opleidingen, masterclasses en opdrachten starten, als men daar het geld voor heeft. De ervaring in het buitenland leert, dat daar veel creatieve processen in gang kunnen worden gezet, die op den duur veel goeds opleveren.

Het produceren van goed drama is nu nog maar mondjesmaat mogelijk, dankzij sponsoring of hulp van het Stimuleringsfonds voor de omroep. En deze laatste instelling wil Ververs nu ook nog om zeep helpen.

Het klinkt profaan, maar er is gewoon geld nodig, als je een goede publieke omroep wenst. En dus zeker niet weer bezuinigingen, waarmee de laatste jaren kwistig is gestrooid en die nu ook weer door Ververs worden bepleit.

Nog belangrijker is, dat gezocht wordt naar een goede structuur voor de gewenste pluriformiteit. Ververs bepleit nu een constructie, waarbij de bestaande omroepen niet meer zelf kunnen bepalen, wat wel en wat niet wordt uitgezonden. Zij moeten hun produkten aanbieden aan een net-manager, die de beslissing voor uitzending neemt. Die net-manager staat onder de directie van een persoon (personen), die is aangesteld door een geheel andere organisatie. En dat alles binnen een programmaschema, dat is opgesteld door weer een andere organisatie buiten de beslissingsbevoegdheid van de omroepen.

Nu in Nederland na de oorlog alles is geprobeerd om de omroepen samen te voegen, te laten concurreren tegen de commercie, financieel te beknotten en hun eigenheid te laten vervagen, wordt het tijd om te doen, wat elk publiciteitsmedium doet: zichzelf zijn met een eigen zender. Geen krant en tijdschrift zou het in zijn hoofd halen de inhoud van hun uitgaven zo tot stand te laten komen als men nu de publieke omroep wil opdringen.

Voor de publieke omroep is te denken aan het volgende.

Wie een duidelijke culturele, religieuze, politieke of maatschappelijke stroming vertegenwoordigt, komt onder bepaalde voorwaarden in aanmerking voor het bedienen van een zender.

Die bepaalde voorwaarden zijn natuurlijk van belang. Men zal een herkenbare en qua aanhang omvangrijke stroming moeten vertegenwoordigen. Die vertegenwoordiging moet aantoonbaar zijn en de aanhang controleerbaar. Men zal bereid moeten zijn een gedifferentieerd programmapakket te brengen, waarbij de eigenheid duidelijk zichtbaar wordt gemaakt. En vooral zal het niet-commerciële karakter van die omroepen voorwaarde zijn.

De kans bestaat, dat met name de controle van één en ander moeilijk wordt. Laten we onze energie dan nu eens stoppen in het ontwerpen van een constructie, die het mogelijk maakt goed vast te stellen, wie wel en wie niet aan de voorwaarden voldoet. Misschien een Commissariaat voor de Media, dat niet politiek of anderszins is gekleurd en dat welomschreven bevoegdheden krijgt. Zo'n instantie moet dan ook de moed hebben neen te zeggen tegen wie niet voldoet. Op dat punt is het in het verleden nogal eens misgegaan.

Bij een te groot aantal aspirant-omroepen moet worden gekozen. Bij de radio zal het aantal zenders voldoende zijn voor de vraag. Bij televisie niet of nog niet. Misschien dat een deling van de zenders dan de oplossing kan brengen.

Hoe moeilijk het opbouwen van een hierboven omschreven omroepbestel ook is, de kans dat we een echt pluriforme omroep in Nederland krijgen is er groter mee dan wanneer we het voorstel-Ververs volgen.

Vernieuwend is in elk geval, dat er grote duidelijkheid komt en dat het pluriforme denken en handelen in ons land kan bijdragen aan de bouw van een levendige samenleving.

    • B.M. Brans