Aan de lus hangen spreekt niet vanzelf

Drie metrostations in het zuidoosten van Amsterdam dragen de reiziger van de ene soort openbaar vervoer over aan de andere: Amstel, Bijlmer en Duivendrecht. De automobilist moet zijn auto uit worden gelokt.

Hulpeloos kijkt de Japanse toerist om zich heen. Hij heeft in elke hand twee enorme tassen, een rugzak achterop en hij weet niet waar de trein naar Schiphol vertrekt. Duivendrecht is het modernste metrostation van Amsterdam. In drie lagen gieren treinen en metro's over elkaar heen. De Japanner staat op de metroverdieping, de bovenste, en doet een poging tot hollen als hij twee roltrappen lager een trein hoort.

Toeristen, forensen, dagjesmensen - Amsterdam trekt als een magneet mensen van buiten aan. Het autoverkeer in de Randstad zal tussen 1992 en 2000 naar verwachting met vijftien procent zijn toegenomen. Jaarlijks bezoeken zo'n zes miljoen toeristen de regio. En zelfs in een met openbaar vervoer doordrenkte stad als Amsterdam probeert nog altijd een substantieel deel van de bezoekers met de auto rond te toeren.

In het zuidoostelijk deel van Amsterdam liggen drie metrostations die overslagpunten zijn voor deze vervoersstromen, of dat nog moeten worden. Het Amstelstation is het al jaren. Duizenden treinreizigers uit het zuiden stappen hier dagelijks over op metro, bus of tram om de stad in te gaan.

Station Duivendrecht doet in feite hetzelfde: de reiziger van de ene soort openbaar vervoer overdragen aan de andere. Alleen is de schaal groter en is het contrast van de drukke verkeerslijnen met de tamelijk kale omgeving scherper. De passagiers verdrinken in dit station, terwijl Amstel dagelijks uitpuilt.

Station Bijlmer moet een stap verder gaan. Hier moet de autobezitter eindelijk uit zijn auto worden gelokt. Een zware taak, maar absoluut noodzakelijk wil de stad niet voorgoed smoren in de auto's. Maatregelen hebben tot nog toe weinig effect gesorteerd, behalve dan het draconische parkeerregime, dat exorbitante prijzen combineert met ijverig wegslepen en wielklemmen.

In augustus gaat het eerste zogeheten transferium aan de rand van Amsterdam open. Onder het nieuwe Ajax-stadion, op een steenworp van metrostation Bijlmer moeten 2.500 auto's hier kunnen parkeren, waarna de eigenaren overstappen op het openbaar vervoer. In Groningen verloopt het experiment met een transferium moeizaam. Minister Jorritsma (Verkeer en Waterstaat) sprak bij een congres over de bereikbaarheid van de regio Amsterdam onlangs haar zorg uit over de geringe 'intermodaliteit'. Mensen zijn volgens haar nauwelijks geneigd over te stappen van het ene vervoermiddel in het andere.

Dat baart ook de hoofdstad zorgen, want het succes van een aantal cruciale, Amsterdamse verkeersmaatregelen - de Noord-Zuidlijn met name - in de nabije toekomst berust op dat principe. Zowel van auto op metro, als van metro op tram of bus. Maar hoe druk de metro ook is (135.000 instappers per dag), vanzelfsprekend is-ie nog niet.

Burgemeester Patijn vergeleek op het congres Amsterdam met New York en Londen waar de bankdirecteur ook 'aan de lus hangt'. “Hier word je kennelijk niet voor vol aangezien als je je auto niet voor de deur hebt staan.”

Of transferia de oplossing worden voor Amsterdam, is dus nog afwachten. Zeker is dat de locatie onder het Ajax-stadion een extra belasting voor het gebied zal zijn. Bereikbaarheid is voor Zuidoost van levensbelang - het is de enige reden dat de bedrijven zich ooit in deze woestenij hebben gevestigd. In het jaar 2000 wordt verwacht dat het gebied meer dan 50.000 arbeidsplaatsen telt, waarmee het een van de grootste concentraties van werkgelegenheid in Nederland is.

Nu al is te zien wat dat betekent. De afritten van de A2 (richting Utrecht) en de A9 (richting Gooi) staan altijd vol.

    • Bas Blokker