Wijn of karnemelk bij de zakenlunch

Nederland en België hebben economisch één ding gemeen: hun sterke afhankelijkheid van de Duitse markt. Ruim een kwart van de Nederlandse en ruim eenvijfde van de Belgische export gaat naar Duitsland. De onderlinge handelsbetrekkingen tussen Nederland en België zijn een stuk minder intensief, maar toch niet onbeduidend.

Ongeveer 12 procent van de Nederlandse in- en uitvoer heeft betrekking op België en Luxemburg. Omgekeerd geldt dat Nederland (met een aandeel van 15,5 procent) voor het Belgische bedrijfsleven relatief iets belangrijker is, maar dat Frankrijk, zeker als afzetmarkt, nog belangrijker is.

De Nederlanders en de meeste Belgen spreken dezelfde taal, maar toch hebben ondernemers uit beide landen het soms moeilijk met elkaar door afwijkende zeden en gewoonten. Amev en AG vormen sinds het begin van de jaren negentig de succesvolle combinatie Fortis, in België de grootste en in Nederland de zesde onderneming. Maar mede door (Franstalige) politieke invloed is er nooit iets moois gegroeid tussen KLM en Sabena. En de Nederlandse ING-bank slaagde er vorig jaar niet in een alliantie aan te gaan met De Belgische Post. De ING-bank deed financieel het aantrekkelijkste bod, maar om politieke reden werd gekozen voor de Generale Bank. “De Post baseerde haar partnerkeuze op andere dan economische factoren. Dat is jammer, maar wij accepteren dat gewoon als een fact of life”, aldus een ING-zegsman.

Hoe dichter bij de grens, hoe beter ondernemers elkaar verstaan. Dat lijkt een logische veronderstelling, maar ze blijkt in de praktijk niet altijd te kloppen. Toen de Tilburgse hoogleraar 'regionale economie' dr. F. Boekema vier jaar geleden onderzoek deed naar betrekkingen tussen Midden-Brabant en De Kempen, kwam hij tot de ontnuchterende conclusie dat ondernemers aan weerszijden van de grens vaak met de rug naar elkaar toestaan. Een bedrijf in Tilburg zocht gemakkelijker een toeleverancier in Groningen dan dat het enkele tientallen kilometers verder over de grens in Vlaanderen zaken deed, zo stelde Boekema vast. Talloze verschillen in sociale en fiscale wet- en regelgeving, bestuurlijk-juridische problemen en vergunningen werden als knelpunten genoemd. Maar ook het onderscheid in taalgebruik, gewoonten in het zakendoen en de mentaliteit in het algemeen.

De Europese 'binnengrenzen' mogen dan per 1 januari 1993 zijn gesloopt, de “psychologische afstand” is daarmee nog lang niet overbrugd, aldus Boekema. Zijn belangrijkste aanbeveling luidde dat Kamers van Koophandel en ondernemersorganisaties in de grensregio's in de eerste plaats het accent moeten leggen op 'informatievoorziening' over potentiële partners aan de andere kant van de grens.

De Brabants-Zeeuwse Werkgeversvereniging (BZW) in Midden-Brabant en het Verbond van Kristelijke Werkgevers (VKW) in de Kempen hebben die boodschap ter harte genomen. De afgelopen jaren zijn in de sfeervolle abdij van Postel verschillende bijeenkomsten gehouden met de bedoeling dat Vlaamse en Brabantse ondernemers “elkaar leren kennen”, zegt regiodirecteur P. Jacobs van het VKW. “Dat stadium van kennismaken is min of meer achter de rug. We willen nu concrete actiebijeenkomsten beleggen”, voegt secretaris J.M. de Vet van de BZW in Midden-Brabant er aan toe. Zo zal in september in Postel een contactdag worden gehouden voor toeleveranciers in de voedingsnijverheid. “Het gaat erom het gezichtsveld van de bedrijven te verbreden en hen met elkaar in contact te brengen. Dat moet leiden tot versterking van de hele regio”, schetsen Jacobs en De Vet de inzet.

Als de werkgevers in Tiburg vergaderen, worden bij de lunch twee of drie broodjes geserveerd, met koffie, melk en karnemelk, zegt De Vet. Bij het VKW in Turhout komt doorgaans ook een fles wijn op tafel. “Wij Vlamingen voelen ons altijd een beetje onzeker als we in Nederland zijn omdat we niet weten of we nu melk of karnemelk in de koffie gieten”, glimlacht Jacobs. Maar hij zegt ook dat de zakenlunches in Turnhout over het algemeen veel soberder zijn dan die in Antwerpen of Brussel. “In Brussel organiseert de werkgeversorganisatie soms ontmoetingsbijeenkomsten waarbij men tussen twaalf uur en drie uur met een man of dertig, veertig aan tafel gaat in het Hilton. We hebben dat in Turnhout ook wel geprobeerd, maar hier slaat dat niet aan.”

Waarmee maar gezegd wil zijn dat er niet alleen cultuurverschillen zijn tussen de Brabander en de Kempenaar, maar ook tussen de Kempenaar en de Antwerpenaar of de Brusselaar.

Of tussen de Westvlaming en de Limburger, vult de 49-jarige ingenieur Frank Doornaert uit Dessel aan in zijn grote bedrijfshal. Vijf jaar geleden begon hij voor zichzelf met het elektrotechnische constructiebedrijf Adesko en inmiddels heeft hij veertien man in dienst. Adesko bouwt onder andere 'botsauto'-banen voor kermissen en heeft klanten en toeleveranciers in verschillende Europese landen, ook in Nederland. Op vergaderingen kan Doornaert in spontane woede uitbarsten als uitgebreid wordt gesproken over moeilijkheden door 'cultuurverschillen' en over de noodzaak van allerlei 'gezamenlijke, grensoverschrijdende structuren'.

“Natuurlijk zijn er verschillen, maar laten we ons daar alstublief niet te veel mee bezighouden. Als iedereen hetzelfde wordt, zou het toch een fletse bedoeling worden in Europa. Al dat filosoferen over die verschillen is verloren tijd. Een ondernemer heeft daar absoluut geen boodschap aan. Een ondernemer onderneemt en hij ziet onderweg zelf wel wat de problemen zijn en hoe hij ze moet oplossen. Daar heb je niet allerlei studies voor nodig”, betoogt hij.

Net zoals hij van de Duitser zijn 'Gründlichkeit' waardeert, waardeert Doornaert van de Nederlander “de gemakkelijke manier waarop hij zijn gedachten zegt”. Ook heeft hij in Nederland geleerd om bezoekers binnen vijf minuten een kopje koffie aan te bieden, zegt hij. Doornaert is het type ondernemer dat handelen voorop stelt. “Ondernemers die zeggen dat ze last hebben van cultuurverschillen, geef ik de raad: hang uw lier in de wilgen.”

Directeur Naaykens van Naaykens' luchttechnische apparatenbouw in Tilburg denkt daar precies zo over.

Er zijn cultuurverschillen en die moeten we vooral handhaven, zegt hij. Dat geldt wat hem betreft ook voor bijvoorbeeld de verschillen in sociale wetgeving tussen Nederland en België. “Het is niet erg zinvol te pleiten voor harmonisering van de sociale wetgeving in Europa en het afsluiten van Europese CAO's. Dat druist in tegen het streven van ondernemers naar zoveel mogelijk flexibiliteit.”

Wel van groot belang voor goede econonomische contacten is goede infrastructuur, zoals de totstandkoming van een vlotte wegverbinding tussen Tilburg en Turnhout, betoogt Naaykens. “Het kost mij anderhalf uur om in Mol te komen. In die tijd rij ik ook naar Gelsenkirchen.”

Naaykens (met in totaal 150 man personeel) heeft vestigingen in onder andere Nederland, Duitsland en België. Directeur Naaykens gelooft dat in Vlaanderen het beeld van de 'Nederlander met de dikke nek' aan het afnemen is. De indruk bestaat dat Nederlanders gemakkelijker zaken doen in Vlaanderen dan andersom, maar volgens Naaykens raakt ook dat beeld een beetje achterhaald. Vlaamse staalbouwers hebben bijvoorbeeld opdrachten weggekaapt voor een spoorbrug in Dordrecht en voor de Erasmusbrug in Rotterdam. “Dat betekent toch dat ze hun mannetje staan.”

    • Wim Brummelman