Ondergrondse biotoop van hopelozen

De Amsterdamse metrobuizen vormen een belangrijke drugsroute in Nederland. Dealers reizen voortdurend op en neer om hun klanten te voorzien. Eerste aflevering van een serie van zes: de stations Nieuwmarkt en Wibautstraat, voor dag en dauw.

Minutenlang zoekt de vrouw in haar binnenzak. Onbeweeglijk, kromgebogen, intens. Er komt een aansteker uit.

Geen van de reizigers die op dit uur op het perron staan van metrostation Nieuwmarkt heeft een bestemming. Het is half zes 's ochtends onder de grond van het centrum van Amsterdam, de loketbeambte heeft de ijzeren hekken van het station net opengetrokken en van alle kanten stromen de zombie-achtigen toe. “Wanneer komt die trein nou?” “Die komt straks en die jongen geeft me wat voor de hele dag.”

De metro is de slagader van het Amsterdamse drugsleven. Tussen Amsterdam-Zuidoost en de binnenstad rijden voortdurend dealers op en neer om hun klanten te voorzien. Maar de klanten zijn ongeduldig. De eerste metro van de dag komt pas over zo'n drie kwartier.

De politie is er eerder. Om kwart voor zes suizen twee agenten op hun mountainbike het station binnen. Het zijn de eerste danspassen in een duet dat de hele dag duurt, onder en boven de grond.

De Nieuwmarktbuurt is de biotoop van de meest in het oog springende groep verslaafden, voor een groot deel van Surinaamse afkomst. Zij zijn de hopelozen, van wie alle hulpverleners en beleidsmakers weten dat zij nooit meer zullen afkicken en voor wie Amsterdam een proef met de verstrekking van heroïne voorbereidt. Tot het zover is worden ze voorturend verschoven. Van de Stormsteeg naar de Anthoniesbreestraat, van de Zeedijk naar de Koningstraat.

Het liefst zitten ze onder de grond - de metrostations Nieuwmarkt, Waterlooplein en Wibautstraat - omdat het er relatief rustig en beschut is. Een hologige Surinamer beweert dat er verslaafden zijn die 's nachts bij station Amstel (dat als NS-station altijd open is) de metrobuis inkruipen om op station Wibautstraat te slapen. De lokettist van de Wibautstraat weet dat er 's nachts mensen door de buis lopen (“Kijk maar naar de grafitti”) maar heeft nog nooit iemand 's ochtends slapend op het perron aangetroffen.

Het perron van Nieuwmarkt ligt bezaaid met verbrande zilverpapiertjes, sigaretten, krasloten, een afgekloven kippenpoot en blaadjes uit een brochure van het Drugspastoraat. De vandaalbestendige prullenbakken zijn zwartgeblakerd. Dit is hun huiskamer - de politie kan er moeilijk de hele dag bij blijven.

De allerarmsten moeten echt het station uitlopen bij politiebezoek. De wat rijkeren kopen een kaartje, dan laten de agenten hen met rust. Leeftijdloze Ally sjokt in haar bloemenrok naar de verkoopmachine. “Koop je nou alleen een kaartje voor je eigen”, klaagt haar metgezel. “Gaan we pissig doen”, giert Ally: “Neehee!” Paul en Ally schotelen deze ochtend het typische verslaafdenhuwelijk voor - jankend gekibbel en afkick-beloftes afgewisseld met onhandige vrijscènes. “Je bent gewoon een kind. Je moet zorgen dat je eroverheen raakt.” “Paul. Paul. Paultje. Je kàn niet stoppen met dit spul.”

Voor de eerste metro komt, de trein uit Gein, komt eerst nòg een keer de politie langs. De hinkende mannen die net weer beneden waren gekomen en de grond afzochten naar geluk, druipen weer af. Ally en Paultje zijn de enigen die mogen blijven. Alsof de verwijderingscriteria die het Gemeentelijk Vervoerbedrijf aan de muur heeft gehangen niet duidelijk genoeg zijn: 'Het onder invloed zijn van alcohol of van verdovende middelen; dan wel het gaan gebruiken van deze middelen.'

Dan komt de trein. Een dealer met achter zijn oor een aluminiumpapieren rolletje en in zijn kielzog nieuwe verslaafden installeert zich op een bank. Het is niet de dealer van Ally, zij negeert hem. En als de metro van de andere kant aankomt, stapt ze daarin, haar leverancier tegemoet op station Waterlooplein. Paul ijsbeert allenig tussen de 25 anderen door. Het is bijna halfzeven. De eerste cleane reiziger van deze dag moet nog arriveren.

    • Bas Blokker