Liberalisme zonder nationaal belang is sfeerloos interieur

Past zoiets collectiefs als 'de natie' en 'nationale identiteit' binnen het individualistische liberale gedachtengoed? Volgens Patrick van Schie gaan liberalisme en natie prima samen: het individu heeft een gemeenschap nodig om burger te worden.

De VVD roert de nationale trom. Vooral de sceptische geluiden die met regelmaat van de klok vanuit de Tweede-Kamerfractie klinken als het gaat om overdracht van bevoegdheden aan Brussel, trekken de aandacht. De liberalen nemen de op de nationale staat gerichte loyaliteit van de burgers tot richtsnoer voor het buitenlands beleid.

Hierop baseren zij het pleidooi om binnen de Europese Unie vast te houden aan het vetorecht op die beleidsterreinen waarop de 'nationale identiteit' tot uitdrukking komt (buitenlandse politiek en veiligheidsbeleid, alsmede binnenlandse en justitiële zaken). Hierop stoelt hun terughoudendheid met betrekking tot deelname aan nieuwe vredesoperaties. Bovendien bracht het uitgangspunt Bolkestein ruim een jaar geleden tot zijn oproep aan de Nederlandse regering om harder te knokken voor het nationaal belang.

Op de nieuwe koers van de VVD wordt nogal wat kritiek uitgeoefend. Dat was te verwachten in een land waar elk begrip dat het woord 'natie' bevat, sinds de Tweede Wereldoorlog als voos wordt gezien. Nog altijd staan termen als 'nationale soevereiniteit' en 'nationaal belang' hier bij voorbaat in een kwaad daglicht. Maar een deel van de kritiek, die ook in de partij zèlf te horen is, heeft een diepere achtergrond. De 'natie' als basis voor politieke wilsvorming en het 'nationaal belang' als uitdrukking daarvan, zouden niet passen binnen het liberale gedachtengoed.

Voor liberalen is immers de individuele mens de maat der dingen. Individuen zouden daarom niet mogen worden gegroepeerd op basis van een 'kunstmatig' verschijnsel als de natie of op basis van het toevallige feit dat zij zich op het grondgebied van dezelfde staat - die vaak is gevestigd door in het verleden gebruikt geweld - bevinden. In ieder geval mogen het individu en zijn belangen niet ondergeschikt worden gemaakt aan belangen van bepaalde groepen of abstracte idealen.

De critici die stellen dat de VVD door de 'natie' te omarmen losraakt van haar liberale wortels en afdrijft naar het conservatieve kamp of erger, lijken op het eerste gezicht sterk te staan. Want raakt het individu niet verloren als het oog wordt gericht op een abstracte constructie als de 'natie'? En leidt de nadruk op het 'nationaal belang' er niet toe dat sommige individuen - landgenoten - meer tellen dan andere?

Politieke denkers van liberale huize bieden weinig concrete aanknopingspunten voor 'nationaal-liberaal' buitenlands beleid. Zij hebben sowieso slechts spaarzaam over het buitenlands beleid geschreven, laat staan dat zij tal van denkbeelden hebben ontvouwd over de rol van het 'nationaal belang' daarin. Maar uit hun geschriften kan vaak wèl worden opgemaakt hoe zij impliciet over het belang van de natie en het 'nationaal belang' dachten. Wat opvalt is dat de meeste liberale theoretici het bestaan van nationale gemeenschappen die elk hun eigen staat hebben, niet ter discussie stellen, maar als een gegeven beschouwen. Men zou ze als 'leunstoel-nationalisten' kunnen typeren: mensen die begrijpen en aanvaarden dat een nationale gemeenschap door gemeenschappelijke herinneringen en gemeenschappelijk lijden bijeen wordt gehouden, maar die de kracht van het nationale sentiment niet aanvoelen.

Enkele liberale denkers hebben zich wel gebogen over het verschijnsel dat individuen zich in naties met eigen staten verenigen, en zich niet aaneensluiten tot een wereldgemeenschap. John Stuart Mill bijvoorbeeld gaf in 1861 in zijn Considerations on representative government de volgende definitie van een natie: “A portion of mankind may be said to constitute a nationality if they are united among themselves by common sympathies which do not exist between them and others - which make them co-operate with each other more willingly than with other people, desire to be under the same government, and desire that it should be government by themselves, or a portion of themselves, exclusively”.

Ruim een eeuw daarvoor stelde Adam Smith in The theory of moral sentiments (1759) dat het natuurlijk mooi zou zijn als mensen hun privébelangen ondergeschikt maakten aan dat van de samenleving en de belangen van die samenleving weer aan die van de wereld. Maar volgens hem was alleen God daartoe in staat: “To man is allotted a much humbler department, but one much more suitable to the weakness of his powers, and to the narrowness of his comprehension, the care of his own happiness, of that of his family, his friends, his country.”

Dat nationale gemeenschappen verondersteld worden door liberalen die de staat zien als het produkt van een in veel opzichten niet bijster fraai verleden dat we niettemin als erfenis hebben te aanvaarden, ligt voor de hand. Maar ook de zogenoemde liberale contractdenkers baseren hun theorieën op het bestaan van een nationale gemeenschap. De contractgedachte veronderstelt immers een natuurtoestand van vrije, aan geen gezag onderworpen individuen, die als onbevredigend wordt ervaren omdat de individuen hun lijf en goed niet zeker zijn. Verschillende individuen sluiten met elkaar een contract, waarbij ze een gezag (de staat) in het leven roepen dat hen enerzijds beperkt in hun handelingsvrijheid, maar dat anderzijds door veiligheid te bieden ervoor zorgt dat de individuen hun vrijheid kunnen optimaliseren.

In dit denken is duidelijk van een wereldregering geen sprake. Het aangaan van een band met sommige individuen door middel van een contract, betekent namelijk dat andere individuen daarbuiten (komen te) staan. “If government is to belong to the people (and to whom else?) then it cannot belong to mankind...”, zo luidt de rake typering die Mayall in zijn boek Nationalism and international society van het liberale denken geeft. De staat die door de burgers is opgericht, heeft vervolgens niet alleen te zorgen voor de interne veiligheid. Hij moet ook bescherming tegen agressie van buitenaf bieden en de gemeenschappelijke belangen behartigen. Het is mede voor deze taken dat de contracterende individuen de staat in het leven hebben geroepen. Het gaat om klassieke taken van een liberale overheid, taken in het 'algemeen belang' dat, omdat het naar buiten is gericht, ook 'nationaal belang' genoemd kan worden.

Hoewel in theorie elk individu zelf zou moeten uitmaken welk contract hij sluit, blijkt dit in de praktijk in geen van de liberale democratieën het geval te zijn. Logisch in de lijn van de theorie zou zijn dat ieder individu bij volwassenheid beslist van welke staat hij burger wenst te zijn; in de praktijk bestaat een dergelijke keuzevrijheid niet. In eerste instantie geldt in alle liberale democratieën niet de keuzevrijheid maar het geboorterecht. Van welke staat een individu lid is, wordt bepaald door de nationaliteit van zijn ouders of door de plaats waar hij ter wereld is gekomen.

Een individu kan alleen van zijn staatsburgerschap afstand doen als hij door een andere staat als burger wordt toegelaten. Hij is dus wat dit betreft niet autonoom maar afhankelijk. Dit wijkt af van andere groepsvormingsprocessen, die door liberalen worden beschouwd als een kwestie van contractvrijheid. Vrije toe- en uittreding werkt daar doordat een individu ervoor kan kiezen om zich van groepen afzijdig te houden of om met andere individuen een nieuwe groep op te richten. Het is echter nauwelijks mogelijk een nieuwe staatkundige gemeenschap op te richten. Een staat heeft namelijk een grondgebied nodig, terwijl alle ruimte al tussen de bestaande staten is verdeeld. De vrijheid om nieuwe contracten aan te gaan is dan ook vrijwel afwezig; de vrijheid van toe- en uittreding is daarom evenzeer uiterst beperkt.

De nationale staat vormt het kader waarbinnen de burger zijn vrijheid kan doen gelden. De voordelen die aan het 'lidmaatschap' van de staat zijn verbonden, vallen daarmee niet automatisch toe aan buitenstaanders. In die zin tellen staatsburgers meer dan anderen. Maar de staat steunt op de loyaliteitsgevoelens van de burgers. Zonder die stevige basis is rechtsvorming en -handhaving ondenkbaar, en blijft het liberale principe dat alle mensen van gelijke waarde zijn zonder betekenis.

Geconcludeerd kan worden dat het nationaal belang een sfeerbepalend onderdeel van het liberale interieur vormt. We staan er niet dagelijks bij stil, maar we zouden het missen als het opeens verdwenen zou zijn. Maar hoe relevant zijn dergelijke denkbeelden nog in een wereld die in toenemende mate interdependent is? Zijn de natie-staten niet op hun retour nu mensen uit verschillende landen steeds vaker en sneller onderling contact hebben, en veel economische en andere activiteiten zich aan het machtsbereik van één enkele staat onttrekken? Waar blijven 'nationale belangen' in een wereld die in wezen 'één dorp' is geworden?

Het 'nationaal belang' blijft hoogst relevant zolang voor de meeste burgers de eigen nationale staat het voornaamste richtpunt blijft. Als de wereld al een dorp is geworden, moet toch worden geconstateerd dat de meeste huishoudens nog altijd de neiging vertonen in hun eigen hutje te cocoonen. Uiteraard kan de zich cosmopolitisch voelende elite van mening zijn dat deze huishoudens er onverstandig aan doen zich aan de bruisende dorpsactiviteiten te onttrekken. Maar het is niet erg liberaal om mensen te dwingen de huiselijke sfeer te verlaten en aan het dorpsfeest deel te nemen.

De betekenis van het 'nationaal belang' zal door de toegenomen contacten over de grens heen en de onderlinge vervlechting, zelfs almaar groter worden. Zolang samenlevingen niet naar buiten treden hoeven zij zich betrekkelijk weinig zorgen te maken of hun belangen in het gedrang komen. Juist nu we steeds afhankelijker van de buitenwereld worden, staan er meer belangen op het spel. Een liberale staat is het aan de burgers verplicht scherp over deze belangen te waken.

    • Patrick van Schie