'Het lijkt wel of we bang zijn om succes te hebben'

De ervaren cricketer Paul-Jan Bakker speelde zaterdag tegen India zijn laatste wedstrijd voor het Nederlands team. Hij was de eerste Nederlander die het als professional redde in de Engelse competitie.

DEN HAAG, 15 JULI. Paul-Jan Bakker heeft geen idee hoeveel wedstrijden hij voor het Nederlands elftal heeft gespeeld. “Ergens lees ik vijftig, een ander zegt zeventig. Het maakt niet zoveel uit.” Het typeert de no-nonsense cricketer, die zaterdag tegen India in elk geval zijn laatste interland speelde.

Op zijn eigen club Quick nam de 38-jarige Hagenaar afscheid, na een imposante carrière die hem als beroepsspeler in alle landen bracht waar de sport meer is dan een curieus tijdverdrijf. De cricketnomade trekt zich binnenkort terug in de Zwitserse sneeuw om daar zijn tweede hobby, de skisport, te gelde te maken als ski-instructeur en restauranthouder.

Met een onvoldaan gevoel laat Bakker het Nederlands elftal achter op een punt waarvan hij had gehoopt dat het gepasseerd zou zijn. Want nog steeds moet Nederland tegen toplanden als India, Pakistan of Engeland genoegen nemen met, afwisselend, grote of 'eervolle' nederlagen. “We vinden het al mooi als we krap verliezen”, zegt Bakker. “Nederlandse cricketers zijn te snel tevreden met een middelmatige prestatie. Veel batsmen vinden dertig runs genoeg, met af en toe een uitschieter van zestig runs. Maar een topper speelt een seizoen lang met zo'n gemiddelde. Wie haalt dat in Nederland? Het lijkt wel alsof we bang zijn om succes te hebben.”

Bakker wijt dat aan de Nederlandse mentaliteit. “Een paar jaar geleden mocht ik van mijn Engelse club niet mee spelen met het Nederlands elftal. Toen ik uiteindelijk wel meedeed, zat men in Nederland te wachten tot ik op mijn bek zou gaan. Ik nam zes wickets. Maar een goede prestatie wordt in Nederland minder gemaakt. In Engeland wordt door de serieuze sportpers altijd de nadruk gelegd op de sportieve prestatie.”

Bakker werd geconfronteerd met de harde mentaliteit van de topsport toen hij in 1982 na zijn diensttijd op de bonnefooi naar Zuid-Afrika vertrok, met een koffertje en een paar telefoonnummers. Via een kennis kwam hij bij een club in Kaapstad waar hij wat geld kon verdienen als trainer. De beste leerschool krijg hij als netbowler bij Western Province, waar hij als ingehuurde 'bowlingmachine' op de trainingen van spelers als Graham Gooch urenlang mocht ervaren hoe elk foutje genadeloos werd gestraft.

“Ik heb daar heel veel van opgepikt, ook van de keiharde mentaliteit die spelers in Zuid-Afrika of Australië hebben. Dat zijn lieden die altijd vechten, die elke wedstrijd weer de beste willen zijn. In Nederland hebben we het te gemakkelijk. Omdat er weinig spelers zijn zit je snel in het eerste. Elke hoofdklasseclub heeft twee of drie spelers die alleen maar meelopen.”

Bakkers doorbraak kwam in 1985, toen hij bij de Zuid-Engelse county Hampshire ging spelen. Hoewel hij in het begin niet altijd werd opgesteld, groeide PJ, zoals de Britten hem noemden, uit tot een ervaren speler, de eerste Nederlander die het redde in de hoogste Engelse league. “In het begin vond de Engelse pers het wel raar, zo'n Hollander. Maar het voordeel was dat ik veel spelers al kende omdat ik in de winter in Zuid-Afrika speelde. Het feit dat ik bij Hampshire werd opgesteld betekende voor de fans en de pers dat ik goed genoeg was.”

Zorgen over de toekomst zijn Bakker altijd vreemd geweest. “Ik ben erin gerold, ik heb nooit een plan gehad. Ik stond op een gegeven moment met mijn koffer in Engeland en ging een beetje ballen. Ik ken inmiddels zoveel mensen. Ik praat met iedereen en iedereen begint altijd tegen mij te lullen. Ik weet niet hoe dat komt. Mede daardoor kan ik overal terecht. 's Zomers cricketen, 's winters skiën, sinds ik niet meer in Zuid-Afrika speel. Mensen vragen steevast als ik weer eens in Den Haag ben: 'Zo, ben je in Nederland? Wanneer ga je weer?' Sommigen denken dat het voor mij altijd vakantie is geweest, maar tussendoor moet je wel presteren.”

Zijn zwerftocht langs de cricketvelden, van West-Indië tot Nieuw-Zeeland, heeft Bakker een andere kijk gegeven op het cricket in Nederland, zegt hij. Of Nederland ooit de felbegeerde status van testland krijgt, zoals het selecte groepje van onder meer Australië, Engeland, West-Indië en India? “Bullshit. Dream on”, adviseert hij.

“Wij spelen in Nederland drie maanden per jaar, één keer in de week. Dan kun je niet bij de beste van de wereld horen. Er zou geld moeten komen om topspelers naar het buitenland te sturen om ervaring op te doen. De vraag is of dat geld er is, en vervolgens wat er van de competitie in Nederland overblijft. Bovendien denken veelbelovende spelers in de eerste plaats aan hun studie of werk. Je kunt heel veel willen, maar de infrastructuur kun je niet veranderen. Vrijdagochtend was er niemand van de cricketbond aanwezig om het team van India te ontvangen, omdat die mensen gewoon aan het werk zijn.”

Wat de bond in Bakkers ogen wel kan doen is een meerdaagse competitie opzetten, naar het voorbeeld van Zimbabwe. Nu worden in Nederland alleen ééndaagse wedstrijden van 55 overs gespeeld. “Wedstrijden van twee dagen zijn noodzakelijk om de kloof te verkleinen met de grote landen”, zegt Bakker. “Meerdaags cricket is een ander spel waarin je leert hoe je moet aanvallen, wanneer je moet verdedigen.” Hij zal het zelf niet meer meemaken in Nederland. Nog een paar weken en zijn cricketloopbaan zit er op. Daarna gaat hij weer eens kijken in Zuid-Afrika. Niet te lang, want in de Portes du Soleil wordt in de herfst weer geskied.

    • Rob Schoof