Freek de Jonge neemt Connie Palmen op sleeptouw

'Zullen we het over mij hebben?'' Aan het begin van de eerste 'Zomergasten' van dit seizoen citeerde presentator Freek de Jonge maar meteen een eerder gemaakte grap van hemzelf. Dan was hij tenminste af van het verwijt dat het programma meer over hem ging dan over zijn gast Connie Palmen.

Na deze openingszet kon het alleen nog maar meevallen. En dat deed het dan ook. Er waren flinke gedeelten waarin Palmen als een Bram Vermeulen giechelend op de achtergrond de onderwerpen mocht aanreiken, om vervolgens te zien hoe De Jonge zich er met veel omhaal van woorden uit redde. Maar ze kwam toch ook geregeld zelf aan het woord. Ze ging terug naar haar eerste, en dus ook mooiste televisie-ervaringen in het huis van de buren, met jeugdhelden als Lassie, Bonanza en The Monkees, en bij de beelden van de schrijvers Michel Foucault en Truman Capote ('wat een snoepje') beleed ze haar liefde voor mannen die ontroering weten op te wekken.

Toch kostte het De Jonge ook bij de fragmenten waarin Palmen goed op dreef kwam, moeite om het roer niet snel weer over te nemen. Dat leiddesoms tot unieke en aanstekelijke televisie. De vraag van de presentator ('Jeetje!'), bij de wegkwijnende anorexia-lijdster Caraline Neville, waarom zo iemand niet naar Afrika gaat, waar niemand wat te eten heeft, is natuurlijk een schot in de roos. Maar het gevolg is dat de gast daarna niet gauw meer het achterste van zijn tong zal laten zien. Van De Jonge moest het kennelijk licht blijven.

Twee thema's beheersten de avond, roem en zelfdestructie, en de verbinding daartussen. Ze werden geïllustreerd met goed gekozen filmfragmenten: het laatste interview met Marilyn Monroe, de laatste opnames van een uitgemergelde Chet Baker, een van de laatste optredens van een opgeblazen Elvis Presley en de zelfmoord van de schrijver Malcolm Lowry. Wie de boeken van Connie Palmen kent, weet dat daar voor haar een heel verhaal aan vast zit, maar dat kwam er nauwelijks uit. Steeds als ze een redenering wilde opzetten over de lijdende of verslaafde kunstenaar, werd het roer overgenomen door De Jonge, die bij voorbeeld met veel vertoon kon vertellen hoe hij in New York de eerste dagen altijd de bewonderende blikken van de omstanders mist.

Tussen de lijdende kunstenaars door werden als 'opkikkertje' een brood met vis etende mr. Bean vertoond en een Toon Hermans met zijn mislukkende goochelnummer. Bij deze laatste onderdelen lag de leiding uiteraard geheel bij Freek de Jonge. Hij legde uit hoe mr. Bean zijn acts niet had kunnen perfectioneren omdat televisie-acts altijd eenmalig zijn en ging uitvoerig in op de ontstaansgeschiedenis van de Hermans-act.

“Ik ben natuurlijk geen presentator”, had Freek de Jonge aan het begin al gezegd, “en ik ben ook geen cabaretier. De komende vijf afleveringen zullen we aan de hand van bekende Nederlanders onderzoeken wie dan wel.” Na de eerste aflevering houd ik het op een intelligente, humoristische, maar wel erg overheersende TV-persoonlijkheid.

    • Reinjan Mulder