'De Tour is een leerschool voor het leven'

De Pyreneeën komen dichterbij, de Tour nadert zijn hoogtepunt. Voor Hennie Kuiper (47) worden het een paar emotionele dagen. Donderdag is het precies een jaar geleden dat zijn pupil Fabio Casartelli verongelukte op de Col d'Aspet.

TULLE, 15 JULI. De dag na het fatale ongeluk zat Hennie Kuiper met betraande ogen in zijn ploegleiderswagen. Hij wilde liever niet praten maar toen er steeds meer verslaggevers tegen de autoruit tikten, besloot hij met zijn gevoelens naar buiten te treden. Een jaar later heeft hij het leven leren relativeren.

“De dood van Fabio heeft mij aan het denken gezet. Ik ben een gevoelsmens en zeer emotioneel. Maar het leven gaat door, hoe hard dat ook klinkt. Ik heb er ook positieve dingen uitgehaald. Ik zal nooit een losbol of een wildebras worden, maar ik probeer tegenwoordig meer van het leven te genieten. Ik val niet meer over kleine dingen. Ik stap overal veel makkelijker overheen.

“Naarmate je ouder wordt krijg je steeds meer tegenslagen te verwerken. Je ouders gaan dood, er komt een eind aan je huwelijk. Die scheiding is een heel pijnlijk proces geweest. Maar uiteindelijk kom je er sterker uit. Veel kleine dingen zijn onbelangrijk geworden. Daar schuilt ook een gevaar in. Ik heb nog geen zekerheid over volgend jaar en maak me er voorlopig niet druk om. Misschien ten onrechte.

“De Tour is een leerschool voor het leven. Voor de renners, de journalisten, de verzorgers, de officials. In de koers grijpt iedereen elkaar in het begin naar de strot. Aan het eind geef je je grootste vijand een steuntje in de rug. De Tour is voor mij nog toelaatbaar. Keiharde competitie, niet voor sukkelaars. De echte kerels komen vanzelf bovendrijven.

“Als renner zag ik geen gevaren. Je denkt dat je onfeilbaar bent, dat je niks kan overkomen. Ik heb wel vaak aan de pijn van het vallen gedacht, niet aan de dood. Renners leven in een aparte wereld. Die denken dat hen niks kan gebeuren. Dat is ook maar beter. Als je twijfelt in een afdaling, wordt het pas echt gevaarlijk. Een afdaling heeft met de vorm van de dag te maken. Ik viel alleen als ik slechte benen had.

“Ik ben een keer vreselijk gevallen in een vlakke etappe. Toen waren m'n ouders 40 jaar getrouwd en deed ik van alles om te winnen. Ik heb het grint nog in mijn heup zitten. Ik heb ook een keer mijn sleutelbeen gebroken op de Granier. Een maand later zat ik weer op de fiets. Tegenwoordig pas ik wel een beetje op als ik met een groepje renners naar beneden rijd. Tachtig kilometer per uur heeft een andere betekenis gekregen.

“In de Tour is elk ongeluk wereldnieuws. Wat denk je wat er gebeurt als Johan Bruyneel vorige week te pletter was gevallen. Dan was de kritiek losgebarsten. Bruyneel heeft geluk gehad. Voor hetzelfde geld heb je twee doden binnen een jaar tijd. Dramatisch. Objectief beschouwd is het ongelooflijk dat er niet meer doden vallen in de wielersport. De praktijk bewijst dat beroepsrenners vakmensen zijn. In zo'n afdaling van vorige week zouden er bij de amateurs minstens vijftien man tegen de grond zijn gesmakt.

“In een afdaling ligt het gevaar achter elke hoek. Er hoeft maar een kat over de weg te slingeren of het kan de dood van een renner betekenen. Sommige gevaren zijn niet uit te bannen. Daarom vind ik een helm geen overbodige luxe. Ik reed mijn eerste Giro in 1973. Toen had ik mijn vrouw beloofd een helm te dragen. Eentje van paardenhaar. De Italianen vergeleken me met Angel Nieto, een beroemde motorcoureur in die tijd. De Italiaanse wielrenners waren toen ook al fantastisch gesoigneerd, vreselijk ijdel allemaal. Ze lachten me uit in die hitte. Ik was te trots om dat ding af te doen. Bij Fabio had een helm trouwens niet geholpen. Hij vloog de bocht uit en kwam met zijn gezicht tegen een steen terecht. Daar is niets tegen te doen. Fabio stond bekend als een goede daler, hoe wrang dat nu ook mag klinken. Hij was gewoon een heel goede wielrenner die nog veel meer in zijn mars had dan hij heeft laten zien. Hij werkte altijd voor een ander. Hij trok voor iedereen de sprint aan. En het was een heel fijne knul om mee te werken. Hij had nog zo veel kunnen betekenen, nog zo veel mensen een plezier kunnen doen.

“Jean Marie Leblanc is een fantastische Tourdirecteur, maar hij heeft toen wel een paar blunders gemaakt. Hij had de renners moeten inlichten, niet het publiek. Hij had desnoods de etappe moeten afblazen. Daar had niemand iets van gemerkt. Leblanc had kunnen voorkomen dat Virenque belachelijk werd gemaakt. Ik zou zelf de dood van een renner nooit bekend hebben gemaakt via de Tourradio. Ik had óf niks gezegd óf gezegd dat de toestand kritiek was.

“'s Avonds zijn we eerst naar het ziekenhuis gegaan. Zo onwezenlijk. Ik wilde hem per se nog zien. Ik was blij dat ik daar toch even bij was. Daarna hebben we vergaderd, buiten in het gras. Sommige jonge jongens wisten niet wat ze moesten doen. Anderen ontpopten zich als leiders. Die kregen later weer een klap te verwerken. Ze gingen nadenken over de gevaren, over hun gezin. Maar iedereen was het erover eens dat we moesten blijven. Als we naar huis waren gegaan, waren we gevlucht. Die laatste week heeft bijgedragen aan het rouwproces.

“Gelukkig hebben we nu ook een monument op de Col d'Aspet. Het is echt een supermooi ding. Eén dag per jaar moet er een zonnestraal door dat gat komen en precies op die datum schijnen. Aan de ene kant is het wiel vrij, aan de andere kant zit het vast aan een rots. Ik heb respect gekregen voor die kunstenaars die daar maanden mee in de weer zijn geweest. Zij hebben Fabio met liefde neergezet.”