Britse regering gooide morele autoriteit te grabbel

LONDEN, 15 JULI. “Het is niet eenvoudig voor een regering om met een enkele daad haar morele autoriteit te grabbel te gooien, het vertrouwen in de politie te ondermijnen, vier vooraanstaande kerkleiders te beledigen en de aanvaardbaarheid van een terreurorganisatie een stevige impuls te geven. Maar dat is wat de Britse regering afgelopen donderdag in één klap heeft gedaan.”

De Ierse ex-premier Garret FitzGerald wil de woorden die hij neerschreef voor het Ierse dagblad Irish Times in een telefonisch vraaggesprek met deze krant niet alleen toelichten, ook letterlijk herhalen. Om opnieuw de omvang van de blunder tot zich door te laten dringen die de Britse regering vorige week donderdag heeft begaan.

FitzGerald kan drie dagen later nog steeds niet bevatten dat de Britse autoriteiten donderdag zijn teruggekomen op hun verbod om een protestantse Oranje-mars door een katholieke buurt van Portadown te laten trekken. Anders waren er waarschijnlijk doden gevallen, zeiden de Britse autoriteiten. Anders zouden de protestantse demonstranten misschien een spoor van vernielingen door de katholieke wijk hebben getrokken. De 70-jarige FitzGerald noemt die rechtvaardiging “een publieke verklaring van onvermogen of onwil om burgers tegen het geweld van de meute te beschermen die in de moderne Europese democratie niet eerder is vertoond”. Door te zwichten voor de grootste dreiging, zegt hij, verbreiden de Britse autoriteiten de boodschap dat de terreur wel degelijk loont. “De consequenties op lange termijn zijn angstaanjagend als een regering het recht van de wet laat varen voor het recht van de straat.”

Al zolang als Noord-Ierland bestaat, meent FitzGerald, lopen de meningen in Dublin en Londen uiteen over hoe om te gaan met geweld op het Ierse eiland. Daar is hij al zijn hele leven tegenaan gelopen. Eerst als zoon van de eerste minister van buitenlandse zaken van de Ierse vrijstaat. Later als senator (1965-1969), als lid van het parlement voor Fine Gael, de partij van de huidige premier John Bruton (sinds 1969), als minister van buitenlandse zaken (1973-1977) en als minister-president (1981-1987). Als premier was hij in 1985 een van de grondleggers van het Anglo-Iers akkoord dat nog altijd de basis vormt van het Noordierse vredesproces.

De Ierse Vrijstaat die is voortgekomen uit terreur, heeft zich sinds zijn ontstaan in 1921 steeds consequent en rechtlijnig opgesteld tegen geweld, zegt FitzGerald. De Ierse regering heeft nooit met terroristen onderhandeld zonder dat daar grote concessies tegenover stonden. De Ierse regering heeft geweld nooit beloond. In de jaren zeventig en tachtig heeft ze alle contacten met het verboden Ierse republikeinse leger gemeden. Met haar onbuigzaamheid heeft ze de democratische partijen in Noord-Ierland onvoorwaardelijk gesteund.

Intussen zag de Ierse regering “met ongeloof en verbijstering” aan hoe de Britse autoriteiten “keer op keer voor bedreigingen, geweld en intimidatie weken”. Volgens FitzGerald hebben de Britten met die halfhartige opstelling “de verbittering en onverdraagzaamheid in Noord-Ierland niet alleen in stand gehouden maar gevoed”. Hij verwijt de Britten dat ze “de IRA in de jaren zeventig hebben aangemoedigd hun terreurcampagne voort te zetten door met terroristen te blijven onderhandelen zonder dat ze beloofd hadden te stoppen met geweld”.

FitzGerald rijgt voorbeelden van situaties waarin opeenvolgende Britse regeringen bezweken voor dreigementen van nationalisten en unionisten aaneen tot een wurgkoord waarin het Verenigd Koninkrijk vrijwillig zijn hoofd heeft gestoken. Jaartallen van fouten, blunders, verkeerde inschattingen, zoals 1971, 1972, 1974, 1982, ze staan in zijn geheugen gegrift. FitzGerald vertelt hoe hij als minister van Buitenlandse Zaken zijn Amerikaanse ambtsgenoot Henry Kissinger nog heeft gewaarschuwd dat de Britse toegeeflijkheid tegenover de IRA een gevaar vormde voor de Ierse staatsveiligheid.

Volgens de Ierse ex-premier weten de Britten geen raad met Noord-Ierland en verklaart dat hun halfzachte opstelling tegenover het geweld in de provincie. “Ze zien Noord-Ierland nog steeds niet als een deel van hun natie.” Formeel bestaat Groot-Brittannië ook alleen uit Engeland, Wales en Schotland. Noord-Ierland is het overblijfsel van een unie tussen twee staten. Geparkeerd binnen het Verenigd Koninkrijk waar het een Fremdkörper blijft. “Daarom behandelt de Britse regering Noord-Ierland anders dan de rest van de natie”, zegt FitzGerald. “Ze buigt in Noord-Ierland voor het geweld in een mate die ze elders in het land nooit zou toestaan.” Daarbij worden de Britten ook nog eens gehandicapt door een gebrek aan begrip en invoelingsvermogen voor de situatie in Noord-Ierland, een tekortkoming waar alle grote landen volgens FitzGerald mee kampen als het om regionale conflicten gaat.

Hij zegt dat de Britse regering de vergaande emotionele en psychologische consequenties van de knieval vorige week donderdag niet onderkend heeft en daarmee de weg heeft gebaand voor een nieuwe periode van onrust en geweld. Hij zegt dat de Britse regering de angst en onzekerheid onder de Noordierse minderheden onderschat heeft. Onder de unionisten die zich een minderheid voelen in heel Ierland. Onder de nationalisten die de minderheid in Noord-Ierland zijn.

Daarom was het wijs, zegt FitzGerald, dat de Ierse premier John Bruton de Britse regering de afgelopen dagen ongezouten heeft gehekeld. Hij zegt dat Ierse kabinetsleden de goede gewoonte hebben om Britse collega's niet openlijk af te vallen “omdat Britten dan altijd boos en dwars en negatief reageren”. “Maar soms is het nodig van die regel af te wijken omdat ze anders maar doorgaan met stomme dingen doen”.